← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2013:CA1544

12/30 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 15 november 2011, 10/803 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 24 mei 2013 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. D. van der Wal, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april

  1. Voor appellant is verschenen mr. Van der Wal. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. D. de Jong. OVERWEGINGEN 1.
  2. Bij besluit van 12 januari 2010 heeft het Uwv geweigerd om de uitkering van appellant op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke vanaf 1 april 2007 werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%, met toepassing van artikel 39a van de WAO te herzien, op de grond dat geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid gedurende meer dan vier weken binnen vijf jaar na de eerdere schatting. 1.
  3. Bij besluit van 25 juni 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 12 januari 2010 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij is onder meer overwogen dat op grond van de herbeoordeling door de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding bestaat om van toegenomen beperkingen uit te gaan. 2.
  4. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. 2.
  5. De rechtbank heeft overwogen dat door appellant is gesteld dat bij hem sprake is van meerdere fysieke en psychische problemen. Volgens appellant is zijn arbeidsongeschiktheid toegenomen in verband met zijn hartklachten, voorts omdat de ernst van zijn chronische aanpassingsstoornis is toegenomen en omdat zijn burn-out is verergerd door een verder verslechterende arbeidssituatie. 2.
  6. De rechtbank heeft appellant in de gelegenheid gesteld een rapport van 8 februari 2011 van psychiater prof. dr. R.A. Schoevers, (opgesteld in samenwerking met de arts K.H.B. van der Lingen en) uitgebracht in het kader van een ten aanzien van appellant ook dienende ambtenaarrechtelijke zaak, in de procedure in te brengen. In dat rapport is door genoemde artsen de hen voorgelegde vraag of appellant op 14 december 2009 in staat was zijn werkzaamheden bij de belastingdienst te verrichten ontkennend beantwoord. De rechtbank heeft overwogen dat uit het antwoord van Schoevers blijkt dat deze deskundige de opvatting heeft dat de algemene beperking van appellant niet is toegenomen, maar dat de toename van klachten van appellant samenhangt met zijn werksituatie bij de belastingdienst. Het verslag en de conclusies van Schoevers kunnen naar het oordeel van de rechtbank dus niet tot de slotsom leiden dat de conclusies van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts onjuist zijn. 3.
  7. In hoger beroep heeft appellant staande gehouden dat zijn beperkingen wel zijn toegenomen. Ter zitting is namens appellant te kennen gegeven dat in het bijzonder zijn - met zijn moeizame arbeidssituatie samenhangende - psychische beperkingen zijn toegenomen. Hij heeft weliswaar ook diverse lichamelijke klachten, maar daarvoor is nooit een duidelijke somatische verklaring gevonden en ook deze lichamelijke klachten zijn volgens appellant in overwegende mate veroorzaakt door zijn psychische problematiek. Appellant heeft daarnaast expliciet erkend dat zijn hartklachten nieuw zijn, in die zin dat hartklachten destijds bij de laatste beoordeling van zijn arbeidsongeschiktheid in april 2007 nog geen rol hebben gespeeld. 3.
  8. Appellant is de opvatting toegedaan dat het rapport van Schoevers door de rechtbank onjuist is geïnterpreteerd, nu Schoevers zich in verband met de hem voorgelegde vraagstelling inzake het al dan niet geschikt zijn voor het eigen werk helemaal niet heeft uitgesproken over bij appellant bestaande algemene beperkingen voor het verrichten van arbeid. De door Schoevers vastgestelde ongeschiktheid voor het eigen werk is volgens appellant niet zonder belang voor de in deze procedure voorliggende vraag naar de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de WAO. 4.
  9. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  10. Gelet op hetgeen van de zijde van appellant ter zitting is verklaard, als in samenvatting weergegeven onder rechtsoverweging 3.1, betreft het tussen partijen bestaande geschil de vraag of in het kader van de toepassing van artikel 39a van de WAO ten tijde hier van belang bij appellant al dan niet sprake is van een toename van beperkingen die voortvloeien uit de bij hem bestaande problemen op het psychische vlak. 4.
  11. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de lichamelijke klachten van appellant, ook volgens appellant zelf, met name moeten worden verklaard vanuit de bij hem bestaande spanningsklachten en de overige klachten van psychische aard die hij ondervindt als uitvloeisel van het arbeidsconflict waarin hij verzeild is geraakt. Appellants hartklachten kunnen voorts niet leiden tot het oordeel dat sprake is van toegenomen beperkingen in de zin van artikel 39a van de WAO, aangezien deze hartklachten, zoals ook door appellant zelf is onderkend, destijds nog geen rol hebben gespeeld bij de beoordeling van zijn arbeidsongeschiktheid in april
  12. 4.
  13. Het oordeel van de rechtbank, dat van een toename van psychische beperkingen geen sprake is, wordt onderschreven. Het rapport van Schoevers heeft uitsluitend betrekking op de vraag of appellant op 14 december 2009 al dan niet geschikt was te achten voor de eigen werkzaamheden bij de belastingdienst. De conclusie van Schoevers dat zulks niet het geval was, is onmiskenbaar terug te voeren op de door Schoevers beschreven psychische gevolgen voor appellant van het tussen hem en zijn werkgever bestaande arbeidsconflict. Het rapport bevat geen aanwijzingen voor de conclusie dat, los gezien van dat arbeidsconflict, bij appellant sprake zou zijn van een relevante toename van beperkingen op het psychische vlak die voor appellant in algemene zin een verhindering zouden vormen voor het verrichten van arbeid. Ook de overige ten aanzien van appellant beschikbare medische gegeven bevatten geen aanknopingspunten voor een dergelijke conclusie. 4.
  14. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
  15. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 mei
  16. (getekend) J.W. Schuttel (getekend) K.E. Haan NK

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.