12/2854 WTOS Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 2 mei 2012, 11/990 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister) Datum uitspraak: 31 mei 2013 PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De Minister heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april
- Appellant is niet verschenen. De Minister was vertegenwoordigd door drs. P.M.S. Slagter. OVERWEGINGEN
- Bij besluit van 25 mei 2011 (bestreden besluit) heeft de Minister gehandhaafd zijn besluit van 18 maart
- Bij laatstgenoemd besluit heeft de Minister de aan appellant toegekende tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (Wtos) voor het studiejaar 2010-2011 voor zijn dochter [naam dochter] op nihil gesteld en € 658,99 van appellant teruggevorderd. De Minister heeft zich op het standpunt gesteld dat [naam dochter], die een zogenoemde VM2-opleiding volgt, aanvankelijk ten onrechte stond geregistreerd voor een opleiding aan het ROC Nijmegen. Gebleken is dat zij de opleiding VM2 volgt aan het Kandinskycollege en staat ingeschreven bij het voortgezet onderwijs.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe verwezen naar de Tijdelijke regeling subsidiëring experimenten leergang VMBO-MBO2 2008-2013 (Stcrt. 2008, nr. 111 (Tijdelijke regeling). Blijkens de toelichting bij de Tijdelijke regeling staat de betrokken leerling ingeschreven als leerling bij het voortgezet onderwijs en als extraneus deelnemer bij een MBO-opleiding. [naam dochter] stond ingeschreven bij het Kandinsky-VMBO en vanaf 1 augustus 2010 als extraneus deelnemer bij het ROC Nijmegen. De VM2-opleiding van [naam dochter] wordt gegeven door en onder verantwoordelijkheid van het Kandinskycollege, conform de bepalingen in de Tijdelijke regeling. Gelet op de intrekking van artikel 2.4 van de Wtos met ingang van 1 augustus 2009, in samenhang met artikel 12.12 van de Wtos, kan voor het openbaar voortgezet onderwijs dat aan het Kandinsky wordt gegeven met ingang van het schooljaar 2010-2011 geen tegemoetkoming op grond van de Wtos meer worden verstrekt. Dat het VM2-onderwijs volgens de Tijdelijke regeling zou moeten worden verzorgd op één locatie, hetgeen volgens [naam dochter] niet zo is, is in deze procedure niet relevant. Appellant kan bij de Belastingdienst vragen om verhoging van het kindgebonden budget.
- Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat [naam dochter] stond ingeschreven als student bij het ROC. Haar opleiding valt onder een BOL-opleiding. Het ROC was verantwoordelijk voor de begeleiding van de stage. Het onderwijs werd niet gegeven op één locatie maar op drie locaties.Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft appellant de inschrijving van [naam dochter] bij het ROC, haar diploma van het ROC, de beroepspraktijkvormingsovereenkomst en de onderwijsovereenkomst van het ROC Nijmegen overgelegd. 4.1 De Raad overweegt als volgt. 4.
- Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is in grote lijnen een herhaling van hetgeen hij bij de rechtbank naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze gronden afdoende besproken en - met verwijzing naar de relevante wetsartikelen - met juistheid overwogen waarom zij niet slagen. 4.
- De inschrijving van [naam dochter] heeft plaatsgevonden conform het bepaalde in de Tijdelijke regeling. Volgens de Basisregistratie onderwijsnummer (BRON) staat [naam dochter] ingeschreven bij het Kandinskycollege voor de experimentele leergang VMBO basisberoeps. Bij het ROC staat zij ingeschreven als examendeelnemer. Dit komt overeen met hetgeen in de door appellant overgelegde onderwijsovereenkomst is vermeld: ‘Inschrijving voor uitsluitend de examenvoorziening’. De beroepspraktijkvormingsovereenkomst verwijst naar de onderwijsovereenkomst en zegt niets over de vorm van inschrijving bij het ROC. Dat de stagebegeleiding plaats vindt door een praktijkdocent van het ROC is niet bepalend voor de status van [naam dochter]. Overigens vindt de loopbaanbegeleiding, volgens het door appellant eveneens overgelegde studentgegevensformulier, plaats door het Kandinsky. Dat, zoals appellant stelt, gebruik werd gemaakt van onderwijsvoorzieningen van het ROC en op meer locaties les werd gegeven, leidt evenmin tot een ander oordeel. De inschrijving van [naam dochter] bij het ROC als examendeelnemer is doorslaggevend. 4.
- Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en M.C. Bruning en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 mei
- (getekend) T. Hoogenboom (getekend) J.R. Baas HD