12/3303 WSF Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 1 mei 2012, 11/329 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister) Datum uitspraak: 31 mei 2013 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. W.A. Bruinsma-Woudstra, advocaat, hoger beroep ingesteld. De Minister heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 2 april 2013 heeft de Minister een bericht studiefinanciering 2013, nr. 2 van 22 maart 2013 overgelegd. Over de periode 1 januari 2011 tot en met 31 december 2012 wordt geen rekening gehouden met het inkomen van appellantes vader op grond van het door de Minister gevoerde beleid ter zake van ouders in een wettelijk schuldsaneringstraject. Over genoemde periode ontvangt appellante de maximale aanvullende beurs. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april
- Appellante is niet verschenen De Minister heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.M.S. Slagter. OVERWEGINGEN
- Bij besluit van 31 januari 2011 heeft de Minister appellante meegedeeld met ingang van 1 januari 2011 geen rekening meer te houden met het inkomen haar vader. De vastgestelde alimentatie, vermeerderd met de wettelijke indexering, wordt in de plaats gesteld van de veronderstelde ouderbijdrage. De aanvullende beurs over 2011 wordt dus verminderd met € 165,48 per maand. Bij besluit van 13 april 2011 (bestreden besluit) heeft de Minister het bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij is gesteld dat in bepaalde gevallen geen rekening wordt gehouden met de vastgestelde alimentatie, onder meer als de alimentatie oninbaar is gedurende tenminste twaalf maanden voorafgaande aan de maand waarin de studerende voor het eerst studiefinanciering ontvangt. De door appellante overgelegde verklaringen van de gemeente Leeuwarden - inhoudende dat de gemeente de draagkracht van de vader op diverse momenten getoetst heeft en van mening was dat hij geen draagkracht heeft om alimentatie te betalen - acht de Minister daarvoor onvoldoende.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.
- Appellante heeft zich daar in hoger beroep tegen gekeerd. Zij heeft gesteld dat haar vader in de WSNP-regeling heeft gezeten en daarvan een verklaring overgelegd. Voorts heeft zij brieven van het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) overgelegd. 4.
- De Raad overweegt als volgt. 4.
- In de eerste plaats ziet de Raad aanleiding om zich ambtshalve uit te laten over de vraag of de aangevallen uitspraak op een juiste wijze tot stand is gekomen. Nadat de rechtbank het beroep op 7 februari 2012 ter zitting had behandeld, heeft de Minister op 9 februari 2012 een nader stuk ingezonden. Vervolgens heeft de rechtbank op 1 mei 2012 uitspraak gedaan, zonder dat aan partijen toestemming was gevraagd voor het afdoen van de zaak buiten een nadere zitting. De Raad is van oordeel dat de aangevallen uitspraak, als in strijd met artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), niet rechtsgeldig tot stand is gekomen. Om die reden komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Omdat de zaak geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft, zal de Raad de zaak zonder terugwijzing afdoen. 4.
- De Minister heeft bij het bericht van 22 maart 2013 de aanvullende beurs van appellante voor de jaren 2011 en 2012 vastgesteld naar de maximale omvang. Appellante houdt niettemin belang bij een oordeel van de Raad over het bestreden besluit. Het bestreden besluit ziet immers ook op de periode vanaf 1 januari 2013 totdat appellante 21 jaar is. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad dan ook het bestreden besluit beoordelen. 4.
- In geschil is of appellante door middel van een verklaring van een ter zake deskundige als bedoeld in artikel 10 van het Besluit studiefinanciering 2000 (Bsf 2000) heeft aangetoond dat sprake is van niet inbare alimentatie. In de Toelichting bij het Bsf 2000 is in dit verband opgenomen - kort gezegd - dat als bewijsstuk van niet inbare alimentatie kan gelden een verklaring van een daartoe bevoegde instantie zoals het LBIO of de Gemeentelijke Sociale Dienst. Ter zitting heeft de Minister desgevraagd gezegd dat, gelet op deze toelichting, de verklaringen van de gemeente Leeuwarden voldoende moeten worden geacht. Het bestreden besluit kan dus niet worden gehandhaafd. 4.
- Het vorenstaande betekent dat het beroep gegrond is, dat het bestreden besluit moet worden vernietigd, het bezwaar is eveneens gegrond en het besluit van 31 januari 2011 moet worden herroepen. De Raad zal zelf in de zaak voorzien en bepalen dat appellante ook vanaf 1 januari 2013 recht heeft op een aanvullende beurs naar de maximale omvang.
- De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb de Minister te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 437,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 437,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 874,--. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - vernietigt de aangevallen uitspraak; - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - verklaart het bezwaar gegrond; - herroept het besluit van 31 januari 2011; - bepaalt dat appellante met ingang van 1 januari 2013 recht heeft op een aanvullende beurs naar de maximale omvang; - veroordeelt de Minister in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 874,--; - bepaalt dat de Minister aan appellante het betaalde griffierecht van € 156,-- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en M.C. Bruning en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 mei
- (getekend) T. Hoogenboom (getekend) J.R. Baas HD