← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2013:CA2124

12/4514 BESLU Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [A. te B.] (verzoekster) de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder) Datum uitspraak 30 mei

  1. PROCESVERLOOP Namens verzoekster heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaarschrift dat is ingediend tegen het niet beslissen op de aanvraag om gelijkstelling van verzoeker met de vervolgde als bedoeld in de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-
  2. Bij besluit van 21 september 2007 heeft verweerder alsnog op de aanvraag beslist. Bij uitspraak van 9 augustus 2012 heeft de Raad op het beroep van verzoekster beslist. Daarbij heeft de Raad bepaald dat het onderzoek wordt heropend onder het in de aanhef van de uitspraak genoemde nummer en het nummer 12/4515 BESLU ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de gevraagde schadevergoeding in verband met mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verweerder heeft bij brief van 17 december 2012 een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Bij brief van 7 januari 2013 is namens appellant daarop gereageerd. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 april
  3. Daar is namens verzoeker verschenen mr. Van Berkel. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel. OVERWEGINGEN
  4. In zijn uitspraak van 9 augustus 2012 heeft de Raad vastgesteld dat vanaf de ontvangst door verweerder van het bezwaarschrift van appellant op 17 februari 2006 tot de datum van bedoelde uitspraak zes jaar en ongeveer zes maanden zijn verstreken. Dat is meer dan de twee en een half jaar die in beginsel geldt voor een procedure in twee instanties. Voorts is vastgesteld dat het vermoeden bestaat dat de redelijke termijn - voor zover hier nog van belang - in de bestuurlijke fase is overschreden.
  5. Verweerder heeft erkend dat de behandeltermijn van het bezwaar is overschreden. Hij is echter - voor zover hier van belang - van oordeel dat kan worden volstaan met een bedrag van € 500,-- als compensatie voor die overschrijding, omdat een deel van de gehele overschrijding is verrekend met de vergoeding die door de Staat der Nederlanden (Staat) werd toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase.
  6. Namens verzoekster is aangevoerd dat verweerder de gehele overschrijdingstermijn voor vergoeding in aanmerking moet brengen en hieraan niet afdoet dat de Staat mogelijk een deel van dezelfde overschrijdingsperiode heeft vergoed.
  7. De Raad overweegt als volgt. 4.
  8. Onbetwist staat vast dat (ook) in de bestuurlijke fase sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Zoals onder 1 is weergegeven heeft de procedure in totaliteit zes jaar en bijna een half jaar geduurd. De Raad ziet geen aanleiding een langere behandelingsduur dan twee en een half jaar gerechtvaardigd te achten. De gehele overschrijding van de redelijke termijn bedraagt bijna vier jaar, hetgeen bij een vergoeding van € 500,-- per half jaar of een gedeelte daarvan leidt tot een maximale schadevergoeding van € 4.000,--. 4.
  9. Als compensatie voor het overschrijden van de redelijke termijn in de rechterlijke fase heeft de Staat in de procedure 12/4515 BESLU een vergoeding toegekend van € 3.500,--. Dit betekent dat van de onder 4.1 genoemde totale schadevergoeding van € 4.000,-- nog een bedrag resteert van € 500,-- dat ten laste komt van verweerder. De Raad zal verweerder tot vergoeding van dit bedrag veroordelen. 4.
  10. Voor toekenning van een hoger bedrag aan schadevergoeding is geen plaats. Naar de Raad al eerder heeft overwogen (CRvB 27 januari 2012, LJN BV3798) valt niet in te zien waarom verdeling van toe te rekenen schade over verweerder en de Staat van invloed zou zijn op de totale omvang daarvan.
  11. Tot slot wordt aanleiding gezien om verweerder te veroordelen in de proceskosten van verzoekers in deze schadeprocedure. Deze kosten worden totaal worden begroot op € 708,-- voor verleende rechtsbijstand. Daarbij is 0,5 punt toegekend voor het indienen van de schriftelijke reactie en 1 punt voor het verschijnen ter zitting. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep -veroordeelt verweerder tot betaling aan verzoekster van vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,--; -veroordeelt verweerder in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 708,--. Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en G.L.M.J. Stevens als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 mei
  12. (getekend) A. Beuker-Tilstra (getekend) A.C. Oomkens HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.