← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2014:15

12/1351 WWB, 13/849 WWB, 13/3778 WWB Datum uitspraak: 14 januari 2014 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 1 februari 2012, 11/3392 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te[woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage (college) PROCESVERLOOP De Raad heeft in het geding tussen partijen op 6 november 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BY2611) een tussenuitspraak gedaan. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het college op 14 januari 2013 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Bij besluit van 15 juli 2013 heeft het college, onder intrekking van het besluit van 14 januari 2013, opnieuw op de bezwaren van appellant beslist. Namens appellant heeft mr. A.H. Westendorp, advocaat, bij brieven van 29 januari 2013 en 7 augustus 2013 zijn zienswijze over de besluiten van 14 januari 2013 en 15 juli 2013 naar voren gebracht. Bij brief van 17 september 2013 heeft het college op deze zienswijze gereageerd. De meervoudige kamer van de Raad heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer van de Raad. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november

  1. Voor appellant is verschenen mr. Westendorp. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Vukovic. OVERWEGINGEN
  2. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de tussenuitspraak.
  3. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het college bij besluit van 15 juli 2013 opnieuw op het bezwaar tegen het besluit van 18 augustus 2010 beslist. Daarbij heeft het college de aanvraag van appellant van 29 juli 2010 om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand inhoudelijk beoordeeld en afgewezen op de grond dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet de gevraagde bankafschriften te overleggen. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.
  4. In zijn zienswijze heeft appellant aangevoerd dat hij op enig moment in 2012 de gevraagde bankafschriften in een grote enveloppe bij de rechtbank heeft ingeleverd en dat de gegevens bij de rechtbank in het ongerede zijn geraakt. Tevens heeft hij gesteld dat een medewerker van het college de toezegging heeft gedaan de betreffende bankafschriften rechtstreeks bij de bank te zullen opvragen. Dit omdat appellant hiertoe door financiële en psychische problemen niet in staat was.
  5. Nu met het besluit van 15 juli 2013 niet geheel is tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellant, strekt het geding in hoger beroep zich gelet op de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht mede uit tot dit besluit.
  6. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 5.
  7. Vaststaat dat appellant niet de gevraagde bankafschriften aan het college heeft verstrekt. Voor de beweerdelijke toezegging van de medewerker van het college bestaat in de gedingstukken geen enkel aanknopingspunt. Appellant heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat hij de bankafschriften bij de rechtbank heeft ingeleverd. 5.
  8. Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat door schending van de wettelijke inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het college heeft de aanvraag dan ook terecht afgewezen. 5.
  9. Gelet op wat in de tussenuitspraak en in deze uitspraak is overwogen, komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen wordt het beroep tegen het besluit van 11 juli 2011 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, voor zover het betreft de buitenbehandelingstelling van de aanvraag van 29 juli
  10. Het beroep tegen het besluit van 15 juli 2013 wordt ongegrond verklaard.
  11. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 472,- in beroep (een punt voor het beroepschrift) en op € 1.180,- in hoger beroep (een punt voor het hoger beroepschrift, tweemaal een halve punt voor het indienen van een zienswijze en een halve punt voor het bijwonen van de nadere zitting) voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 1.652,-. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - vernietigt de aangevallen uitspraak; - verklaart het beroep tegen het besluit van 11 juli 2011 gegrond; - vernietigt het besluit van 11 juli 2011 voor zover dit betrekking heeft op het buiten behandeling laten van de aanvraag van 29 juli 2010; - verklaart het beroep tegen het besluit van 15 juli 2013 ongegrond; - veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.652,-; - bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 156,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 januari
  12. (getekend) J.P.M. Zeijen (getekend) M. Sahin HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.