11/4905 AW, 11/4915 AW, 12/436 AW Datum uitspraak: 23 januari 2014 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 12 juli 2011, 10/5161 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (college) PROCESVERLOOP De Raad heeft op 4 juli 2013 een tussenuitspraak gedaan in het geschil tussen partijen (ECLI:NL:CRVB:2013:1087). Het college heeft op 25 september 2013 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Namens appellant heeft mr. Q.A.L.M. Gijsbers, advocaat, bij brieven van 15 oktober 2013 en 30 oktober 2013 zijn zienswijze gegeven op dit besluit. Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in verbinding met artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet, is een nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten, waarna het onderzoek is gesloten. OVERWEGINGEN 1.
- De Raad verwijst naar zijn tussenuitspraak voor de feiten waarvan hij uitgaat bij zijn oordeelsvorming. 1.
- Bij de nieuwe beslissing op bezwaar van 25 september 2013 heeft het college de periode waarover wachtgeld wordt teruggevorderd beperkt tot de periode vanaf 1 juli
- In totaal is een bedrag aan onverschuldigd betaald wachtgeld teruggevorderd van € 119.604,-. Daarbij is vermeld dat door inhoudingen op de wachtgelduitkering en betalingen inmiddels een bedrag van € 77.523,90 is voldaan. In dat verband is erop gewezen dat hierbij nog geen rekening is gehouden met rente. Verder is vermeld dat de berekening over 2009 is gebaseerd op de conceptjaarrekening en dat de definitieve financiële gegevens over 2009 nog door appellant moeten worden overgelegd. 1.
- Appellant heeft in reactie op dit besluit te kennen gegeven dat hij zich kan verenigen met het nader vastgestelde terugvorderingsbedrag van € 119.604,-. Daarbij heeft hij opgemerkt dat hierbij wel rekening moet worden gehouden met de inhoudingen op de wachtgelduitkering en de tot dusver verrichte betalingen. 2.
- Vastgesteld moet worden dat de hoogte van het terugvorderingsbedrag niet meer in geschil is. De opmerking van appellant dat rekening moet worden gehouden met hetgeen hij inmiddels heeft voldaan, betreft de invordering van het terug te vorderen bedrag. Deze invordering valt buiten de omvang van het geding. Dat het college rekening houdt met hetgeen al is voldaan, blijkt overigens uit het besluit van 25 september
- 2.
- Uit 2.1 volgt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens het ontbreken van een procesbelang. 3.
- De Raad ziet aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze veroordeling bedraagt € 974,- voor verleende rechtsbijstand in bezwaar, € 974,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 1.217,50 voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 3.165,
- 3.
- Appellant heeft tevens verzocht om de door mr. E.J.J. Ruiters, werkzaam bij Stel & De Gijsel Belastingadviseurs, op 1 november 2010 en 17 februari 2012 uitgebrachte rapporten te vergoeden als kosten van een deskundige die verslag heeft uitgebracht. Op grond van artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) komen kosten van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht, voor vergoeding in aanmerking. De rapporten van Ruiters kunnen, gelet op de inhoud ervan, echter niet worden aangemerkt als een door een deskundige uitgebracht verslag, maar moeten worden aangemerkt als onderdeel van rechtsbijstandsverlening in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb. De desbetreffende kosten moeten daarom worden geacht te zijn begrepen in de in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bpb bedoelde forfaitaire vergoeding. De kosten komen dus niet afzonderlijk voor vergoeding in aanmerking. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk; - bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 377,- vergoedt; - veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 3.165,
- Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 januari
- (getekend) K.J. Kraan (getekend) S.K. Dekker HD