13/270 WUBO Datum uitspraak: 8 mei 2014 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 20 januari 2011, 10/940 WUBO Partijen: [Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder) PROCESVERLOOP Verzoeker heeft om herziening verzocht van eerder genoemde uitspraak, naar welke uitspraak wordt verwezen. Het verzoek is behandeld ter zitting van 27 maart
- Daar is verzoeker verschenen, bijgestaan door mr. drs. H.N. Broekzitter. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel. OVERWEGINGEN
- Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Stb. 2012, 682) in werking getreden. Met deze wet zijn wijzigingen in onder meer de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Beroepswet aangebracht. Op grond van het overgangsrecht blijft op deze zaak het recht van toepassing zoals dat gold vóór 1 januari
- 2.
- Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 17 van de Beroepswet, kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die: a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak, b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. 2.
- Het bijzondere rechtsmiddel van herziening is niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheden als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen. 3.1 Aan het verzoek om herziening heeft verzoeker in essentie ten grondslag gelegd dat hij vanaf 1976 aanspraken wil ontlenen aan de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 omdat vanaf die tijd zijn psychische klachten invaliderend tot uiting zijn gekomen. 3.
- In hetgeen namens verzoeker bij het verzoek om herziening uitvoerig is aangevoerd heeft de Raad geen feiten of omstandigheden kunnen ontdekken die voldoen aan de drie in artikel 8:88 van de Awb omschreven cumulatieve voorwaarden. De Raad heeft al meermalen in zijn uitspraken bevestigd dat van een causale invaliditeit niet eerder is gebleken dan in mei
- Er moet dan ook worden vastgesteld dat verzoeker met het onderhavige verzoek beoogd heeft op basis van al bekende gegevens een - bij het rechtsmiddel van herziening niet passende - hernieuwde discussie te voeren. 3.
- Het verzoek om herziening moet dan ook worden afgewezen.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af. Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 mei
- (getekend) A. Beuker-Tilstra (getekend) B. Rikhof JvC