11/41 AWBZ Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:73a en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 12 november 2011, 09/1853 (aangevallen uitspraak) Partijen: de erven van [Van V.] te [woonplaats] (erven) Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) PROCESVERLOOP Namens de erven heeft I.T. Martens, werkzaam bij SRK rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld. CIZ heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 september
- Voor de erven is verschenen Martens. CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Benedictus. Ter zitting is het onderzoek geschorst. Bij brief van 11 juli 2013 heeft Martens namens de erven het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht een beslissing te nemen ten aanzien van de proceskosten. CIZ heeft in reactie op het verzoek een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 19 februari
- De erven zijn niet verschenen. CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.E. Koedood. OVERWEGINGEN 1.
- Voor een overzicht van de van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar het proces-verbaal van de openbare zitting van de Raad op 26 september
- Aanvullend stelt de Raad vast dat CIZ bij besluit op bezwaar van 23 juni 2009 betrokkene heeft geïndiceerd voor een zorgzwaartepakket VV04 met de functie verblijf. De erven zijn er vervolgens niet in geslaagd om de aanspraak op het bij deze indicatie behorende persoonsgebonden budget (pgb) bij het Zorgkantoor te realiseren, omdat het Zorgkantoor zich op het standpunt stelde dat het pgb niet voor het inkopen van huishoudelijke verzorging mocht worden aangewend. Bij brief van 1 juli 2013 heeft het Zorgkantoor de erven bericht alsnog tot gewenste realisering over te gaan. Daarop is het hoger beroep ingetrokken en een verzoek om proceskostenvergoeding ingediend. 1.
- De besluitvorming op grond waarvan de erven tot intrekking van het hoger beroep zijn overgegaan is afkomstig van een ander bestuursorgaan dan CIZ. Het hoger beroep is dan ook niet ingetrokken wegens het wijzigen van een besluit door CIZ. Van tegemoetkoming door het CIZ is geen sprake. Voor veroordeling van CIZ in de proceskosten van de erven is daarom geen plaats. Het verzoek moet dan ook worden afgewezen. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om CIZ te veroordelen in de proceskosten af. Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en A.J. Schaap en D.S. de Vries als leden in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 mei
- (getekend) J. Brand (getekend) G.J. van Gendt IJ