← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2014:186

12/5487 WARZO Datum uitspraak: 22 januari 2014 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 augustus 2012, 11/4077 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. M.S. Kerkhof-Pöttger hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december

  1. Appellante en haar gemachtigde zijn niet verschenen. Namens het Uwv is verschenen mr. R.E.J.P.M. Rutten. OVERWEGINGEN
  2. Appellante is met ingang van 1 juni 2011 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) berekend naar een dagloon van € 94,
  3. In verband met zwangerschaps- en bevallingsverlof is de WW-uitkering met ingang van 26 juli 2011 beëindigd. 2.
  4. Bij besluit van 4 augustus 2011 heeft het Uwv appellante voor de periode van 26 juli 2011 tot en met 15 november 2011 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg (Wazo), berekend naar een dagloon van € 35,
  5. Appellante heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt en gesteld dat het dagloon te laag is vastgesteld. 2.
  6. Bij beslissing op bezwaar van 13 september 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv dat bezwaar ongegrond verklaard en het eerder ingenomen standpunt herhaald. Het Uwv heeft gesteld dat de uitkering is gebaseerd op loon uit dienstbetrekking in het aangiftetijdvak voorafgaand aan het tijdvak waarin het verzekerde risico is opgetreden. In het geval van appellante is de berekening van het dagloon gebaseerd op het loon voor de sociale verzekeringen in het aangiftetijdvak van 1 tot en met 30 juni
  7. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft het Uwv dat beroep ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar artikel 29b van de Ziektewet (ZW), artikel 11 van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (Besluit) en rechtspraak van deze Raad, heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv op grond van de dagloonregels uitsluitend rekening kan houden met de in het aangiftetijdvak daadwerkelijk ontvangen betalingen en dat de wetgever niet heeft voorzien in de mogelijkheid om hiervan af te wijken.
  8. In hoger beroep heeft appellante haar eerdere standpunten herhaald. Appellante betwist niet dat het aangiftetijdvak juist is vastgesteld. Zij stelt dat het dagloon te laag is vastgesteld, omdat geen rekening is gehouden met ontvangen uitkering die betrekking had op de tweede helft van de maand juni van
  9. Het Uwv heeft er op gewezen dat de betaling over de periode van 13 juni tot en met 10 juli 2011 is gedaan op 12 juli 2011 en dat daarmee, op grond van artikel 11 van het Besluit, die betaling niet kan worden toegerekend aan de tijdens de periode van 1 juni tot en met 30 juni 2011 genoten en daadwerkelijk ontvangen betalingen.
  10. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 6.
  11. Voor de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen wordt verwezen naar overwegingen 1 tot en met 4 van de aangevallen uitspraak. 6.
  12. Het aangiftetijdvak dat in de onderhavige zaak aan de orde is, betreft de periode van 1 tot en met 30 juni
  13. In die periode was appellante in het genot van een uitkering op grond van de WW berekend naar een dagloon van € 94,
  14. In het aangiftetijdvak is appellante een WW-uitkering van € 765,17 verstrekt die betrekking had op de periode van 30 mei 2011 tot en met 12 juni
  15. De betaling over de daaropvolgende periode van vier weken, van 13 juni 2011 tot en met 11 juli 2011 is verricht op 11 juli 2011 en is dus niet in het aangiftetijdvak gedaan. Die latere betaling kan dan ook niet worden betrokken in de berekening van het dagloon. De rechtbank heeft daarom een juiste uitleg aan de betreffende wettelijke bepalingen gegeven. 6.
  16. Deze juiste toepassing van artikel 11 van het Besluit leidt tot een dagloon voor de WAZO-uitkering van € 35,45, een verlaging met bijna tweederde van de eerdere WW-uitkering. De uitkeringssystematiek van de WW en de min of meer toevallige betaling van de WW-uitkering, kan er aldus toe leiden dat de WAZO-uitkering onredelijk laag uitvalt en dat de WAZO-uitkering niet, zoals wel de bedoeling is, een zodanig percentage van het laatst verdiende inkomen vormt dat deze uitkering min of meer overeenkomt met de eerder toegekende WW-uitkering. Een zeer sterke verlaging als in het geval van appellante is niet in overeenstemming met de bedoeling van de regeling en komt, zoals door Uwv niet is bestreden, niet overeen met het door Uwv aan appellante verstrekte voorlichtingsmateriaal. Zoals echter reeds eerder is geoordeeld (zie bijvoorbeeld CRvB 26 augustus 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR5888) heeft de wetgever, ondanks deze effecten niet voorzien in de mogelijkheid om van de in het Besluit neergelegde regels af te wijken en is het aan de wetgever om een dergelijk effect teniet te doen. Het is niet aan de Raad om deze taak voor de periode in geding ter hand te nemen. 6.
  17. De betreffende regelgeving is inmiddels gewijzigd. Ter zitting heeft het Uwv toegelicht dat in deze recente aanpassing geen aanleiding wordt gezien de lopende zaken en gevallen zoals die van appellante overeenkomstig het gewijzigde (gunstiger) recht te beoordelen of ruimhartiger te benaderen, omdat aan de gewijzigde regelgeving geen terugwerkende kracht is toegekend. 6.
  18. Het hoger beroep slaagt niet, de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
  19. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 januari
  20. (getekend) H.G. Rottier (getekend) H.J. Dekker HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.