13/6951 WUBO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak met toepassing van artikel 17 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht op het verzoek van: [Verzoekster], wonende te [woonplaats], verzoekster, om herziening van de uitspraak van de Raad van 22 september 2011, nummer 10/2270 WUBO. Datum uitspraak: 12 juni 2014 PROCESVERLOOP Verzoekster heeft bij brief van 4 september 2013 (met bijlagen) om herziening verzocht van bovenvermelde uitspraak, naar welke uitspraak hierbij wordt verwezen. Hierna heeft zij nog nadere stukken ingediend. Namens de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), in genoemde uitspraak aangeduid als verweerster, is bij brief van 27 januari 2014 bericht dat de door verzoekster bij haar verzoek overgelegde verklaring geen aanleiding kan geven tot herziening, omdat die verklaring al bekend was vóór die uitspraak. Het verzoek is behandeld ter zitting van 1 mei
- Daar is verzoekster verschenen en heeft de PUR zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen. OVERWEGINGEN 1.
- Op grond van artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die: a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak; b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn; en c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben geleid. 1.
- Naar vaste rechtspraak is het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie te voeren over de betrokken zaak en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen. 1.
- Bij de uitspraak van 22 september 2011 heeft de Raad geoordeeld dat de PUR terecht het standpunt heeft ingenomen dat de door verzoekster naar voren gebrachte oorlogsomstandigheden niet als gebeurtenissen in de zin van artikel 2 van de Wubo kunnen worden aangemerkt. 1.
- Bij het onderhavige verzoek heeft verzoekster ingebracht: - een verklaring van drs. A. Altena van 27 juli 2011; - een brief van het NIOD van 19 augustus 2010; - een verklaring van [naam S.] van 31 januari 2013 en - stukken met betrekking tot de bij besluit van de Commissie Algemene oorlogsongevallenregeling van 9 juli 2012 met ingang van 1 februari 2010 aan verzoekster toegekende invaliditeitsuitkering en voorziening voor huishoudelijke hulp op grond van de Algemene oorlogsongevallenregeling (AOR). Verder heeft appellante nog de artikelen “Trauma exposure in pre-school children in a war zone” en “Symtoms of PTSD among Children Living in War Zones in Same Cultural Context and Different Situations” overgelegd. 1.
- De verklaring van drs. Altena en de brief van het NIOD dateren van vóór de uitspraak en zijn toen ook ingebracht in de procedure, zodat deze bij de Raad bekend waren ten tijde van de uitspraak. Deze stukken bevatten dus geen feiten en/of omstandigheden als bedoeld onder 1.
- 1.
- De overige door verzoekster overgelegde stukken voldoen evenmin aan de vereisten van artikel 8:119 van de Awb. De verklaring van Jongbloed-Daerden houdt in dat de zus van verzoekster, Leonie König-van Katwijk, kan getuigen over bepaalde incidenten in Semarang. Dit gegeven was al bekend ten tijde van de uitspraak. De gegevens uit het dossier van deze zus zijn in de eerdere procedure uitgebreid meegewogen. Ook uit de stukken met betrekking tot de AOR en de overgelegde wetenschappelijke artikelen zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren gekomen die een nieuw licht werpen op het oordeel van de Raad dat de oorlogservaringen van verzoekster niet zijn aan te merken als calamiteiten in de zin van de Wubo. Zoals ook in de uitspraak waarvan herziening is verzocht is vermeld, biedt die wet geen ruimte om algemene oorlogsomstandigheden, hoe dreigend en beangstigend ook, als gebeurtenissen in de zin van artikel 2 van die wet aan te merken.
- Het verzoek om herziening wordt dus afgewezen.
- Er is geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af. Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkes als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juni
- (getekend) A. Beuker-Tilstra (getekend) A.C. Oomkens HD