← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2014:2222

13/1288 ZW Datum uitspraak: 2 juli 2014 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 januari 2013, 12/3774 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. C. Brouwer-Morren, werkzaam bij ARAG, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei

  1. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Kneefel. OVERWEGINGEN 1.
  2. Appellant was sinds 1 maart 2011 werkzaam als kasmedewerker in een gerberakwekerij. Voor deze werkzaamheden heeft hij zich op 23 september 2011 ziek gemeld vanwege benauwdheidsklachten en veel hoesten. De arbeidsovereenkomst van appellant is met ingang van 1 december 2011 beëindigd. Appellant is achtereenvolgens op 26 januari 2012, 16 april 2012 en 4 juni 2012 op het spreekuur van een verzekeringsarts geweest. Tijdens het laatste spreekuur is de verzekeringsarts tot de conclusie gekomen dat er voor de geclaimde klachten van appellant geen duidelijke medisch objectiveerbare oorzaak is gevonden en appellant weer geschikt is te achten voor zijn arbeid. Bij besluit van 4 juni 2012 is de uitkering van appellant op grond van de Ziektewet (ZW) beëindigd met ingang van 5 juni
  3. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 19 juli 2012 (bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard. Daaraan is een rapport van een bezwaarverzekeringsarts van 17 juli 2012 ten grondslag gelegd.
  4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank bestaan er geen aanknopingspunten om het onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts of de uitkomst daarvan onjuist te achten.
  5. In hoger beroep heeft appellant herhaald wat hij in beroep naar voren heeft gebracht. Appellant is van mening dat ten onrechte voorbij is gegaan aan hetgeen hij heeft aangegeven omtrent het feit dat het voor hem niet meer mogelijk was om in een omgeving met veel stof te werken in verband met onder meer zijn allergieën, hoestklachten en benauwdheidsklachten en dat de medische stukken die hij heeft overgelegd dat onderschrijven.
  6. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  7. Ingevolge het bepaalde in artikel 19, eerste, en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken recht op ziekengeld. 4.
  8. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen voldoende zorgvuldig is geweest. De verzekeringsartsen hebben op inzichtelijke wijze gerapporteerd. Beide artsen hebben appellant onderzocht en bij hun beoordeling de informatie van de behandelend sector, waaronder informatie van de longarts G.J. Braunstahl van 12 december 2011 en het histamine provocatie rapport van 31 januari 2012, meegewogen. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts rekening gehouden met het endoscopieverslag van dr. L. Berk van 29 juni
  9. Uit de informatie van longarts Braunstahl blijkt dat er bij appellant sprake is van een allergie voor huisstofmijt. Het onderzoek van de longfunctie liet geen bijzonderheden zien en ook de histamine provocatietest liet een normaal beeld zien, geen bronchiale hyperactiviteit. Voor de hoestklachten, welke klachten volgens appellant al vele jaren bestaan en waarmee hij naar eigen zeggen heeft kunnen werken, is geen medische objectiveerbare verklaring gevonden. Uit het endoscopieverslag blijkt dat sprake is van reflux oesophagitis, hetgeen volgens de bezwaarverzekeringsarts niet tot arbeidsbelemmerende klachten leidt. 4.
  10. In hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht ziet de Raad geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Anders dan appellant meent, zijn er onvoldoende aanwijzingen om te stellen dat het voor appellant niet mogelijk is om in een omgeving met veel stof te werken vanwege zijn klachten. De in hoger beroep overgelegde informatie van de huisarts biedt daarvoor geen grond. Uit de informatie van de huisarts van 24 april 2014 blijkt dat er op 7 september 2011 voor het laatst een allergieonderzoek heeft plaatsgevonden. Uit de meetwaarden van dat onderzoek blijkt, anders dan appellant betoogt, dat er alleen sprake is van een allergie voor huisstofmijt. Dat de longarts uiteindelijk de diagnose astma heeft gesteld is niet met nadere medische stukken onderbouwd. 4.
  11. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv op goede gronden vastgesteld dat appellant op 5 juni 2012 in staat was zijn eigen arbeid te verrichten en is de ZW-uitkering van appellant per die datum terecht beëindigd.
  12. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
  13. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juli
  14. (getekend) J.J.T. van den Corput (getekend) Z. Karekezi GdJ

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.