← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2014:2614

12/3899 WIA Datum uitspraak: 25 juli 2014 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 15 juni 2012, 11/1656 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats](appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP De Raad heeft op 14 maart 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:947) een tussenuitspraak gedaan. Het Uwv heeft ter uitvoering van de tussenuitspraak bij brief van 7 april 2014 een rapport van een bezwaararbeidsdeskundige van het Uwv ingediend. Mr. L.I. Olivier, werkzaam bij Arag Rechtsbijstand, heeft namens appellante laten weten geen opmerkingen te hebben. Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 21, eerste en zesde lid, van de Beroepswet, is afgezien van een nader onderzoek ter zitting, waarna het onderzoek is gesloten. OVERWEGINGEN

  1. In de tussenuitspraak is geoordeeld dat de medische grondslag van het besluit van 31 oktober 2011 (bestreden besluit) wel voldoende deugdelijk is gemotiveerd, maar dat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering aangezien in de bezwaarfase op de door appellante aangevoerde arbeidskundige gronden niet is gereageerd met een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige. Het Uwv is opdracht gegeven dit gebrek te herstellen.
  2. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv een rapport van 2 april 2014 van de bezwaararbeidsdeskundige ingezonden. In dit rapport is de bezwaararbeidsdeskundige ingegaan op de namens appellante aangevoerde arbeidskundige gronden. Tevens heeft de bezwaararbeidsdeskundige nader toegelicht waarom de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht passend zijn voor appellante. Vervolgens heeft hij geconcludeerd dat er geen aanleiding is af te wijken van het standpunt van de arbeidsdeskundige en dat de mate van arbeidsongeschiktheid dient te worden vastgesteld op 0%. In overeenstemming met dit advies heeft het Uwv bij brief van 7 april 2014 meegedeeld dat appellante terecht en op goede gronden met ingang van 28 februari 2011 minder dan 35% arbeidsongeschikt is te achten.
  3. In reactie op dit rapport is namens appellante te kennen gegeven dat zij het oneens blijft met het Uwv.
  4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  5. Appellante heeft te kennen gegeven geen opmerkingen te hebben op de door het Uwv ingezonden stukken, waaronder het genoemde rapport van de bezwaararbeidsdeskundige. Mede gelet op deze omstandigheid wordt de te beantwoorden vraag of het Uwv het onder 1 genoemde arbeidskundige gebrek heeft hersteld bevestigend beantwoord. De door de bezwaararbeidsdeskundige gegeven motivering in zijn rapport van 2 april 2014 is, gelet op de opdracht in de tussenuitspraak, volledig en deugdelijk. Uitgaande van de FML van 23 februari 2011 en de door de bezwaararbeidskundige gegeven toelichting, zijn de aan de schatting ten grondslag liggende functies in verzekeringsgeneeskundig opzicht passend voor appellante. 4.
  6. Uit 4.1 volgt dat, gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde motiveringsgebrek in de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit, de aangevallen uitspraak vanwege het daarin vervatte oordeel over de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit, dient te worden vernietigd. Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, worden de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. Voor het toekennen van een schadevergoeding bestaat geen aanleiding.
  7. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden in beroep begroot op € 974,- (indiening beroepschrift en bijwonen zitting) aan verleende rechtsbijstand en in hoger beroep op € 487,- (indiening hoger beroepschrift) aan verleende rechtsbijstand alsmede een bedrag van € 1.785,- (rapport van 31 oktober 2012), totaal € 3.246,-. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep vernietigt de aangevallen uitspraak; verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 31 oktober 2011; bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven; wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af; bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 156,- vergoedt; - veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 3.246,-. Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 juli
  8. (getekend) M.C. Bruning (getekend) D.E.P.M. Bary QH

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.