12/4487 WIA Datum uitspraak: 8 augustus 2014 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 3 juli 2012, 12/238 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2014. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.J.M.M. de Poel. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant is werkzaam als adviseur planning en control bij de gemeente[woonplaats]. In verband met zijn auditieve beperking heeft appellant - evenals in 1996, 2001 en 2005 - hoortoestellen aangeschaft. Hij heeft op 10 juni 2011 bij het Uwv een aanvraag ingediend voor vergoeding van zijn eigen bijdrage in de kosten van de hoortoestellen. 1.2. Bij besluit van 23 november 2011 heeft het Uwv geweigerd deze vergoeding toe te kennen. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 24 januari 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 november 2011 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat er door de aard van zijn werk geen specifieke eisen worden gesteld aan de hoortoestellen waardoor hij andere of duurdere hoortoestellen nodig zou hebben. De aard van de communicatie op het werk en in zijn werkomgeving is niet complexer dan de communicatie in de leefsfeer. 2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. 3. Appellant heeft in hoger beroep - kort gezegd - aangevoerd dat geen rekening is gehouden met het feit dat hij aan hyperacusis en tinnitus lijdt. Hij is op zoek naar zo veel mogelijk rust en stilte. Hij heeft de hoortoestellen ook helemaal niet nodig voor de leefsituatie, hij heeft deze hoortoestellen slechts nodig in de werksituatie. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. In artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is - voor zover van belang - bepaald dat het Uwv aan een persoon met een naar het oordeel van het Uwv structurele functionele beperking, die arbeid in dienstbetrekking verricht of die arbeid in dienstbetrekking gaat verrichten, op aanvraag voorzieningen kan toekennen die strekken tot behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid. In artikel 35, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wet WIA - voor zover van belang - worden onder voorzieningen als bedoeld in het eerste lid verstaan de bij de arbeid te gebruiken hulpmiddelen, die in overwegende mate op het individu van de persoon zijn afgestemd. Op grond van artikel 35, vijfde lid, van de Wet WIA kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel. 4.2. Aan artikel 35, vijfde lid, van de Wet WIA is uitvoering gegeven door vaststelling van het Reïntegratiebesluit (Stb. 2005, 622). Artikel 2, eerste lid, van het Reïntegratiebesluit bepaalt dat een voorziening als bedoeld in artikel 35 van de WIA niet wordt verleend indien het een voorziening betreft die
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.