← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2014:2719

12/6779 WAO Datum uitspraak: 13 augustus 2014 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 20 november 2012, 12/705 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft H.J.A. Aerts hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli

  1. Appellante is verschenen, bijgestaan door Aerts. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk. OVERWEGINGEN 1.
  2. Bij besluit van 14 september 2011 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat haar (naar aanleiding van haar arbeidsongeschiktheidsmelding per 9 mei 2010) vanaf 5 juni 2010 niet (opnieuw) een WAO-uitkering wordt toegekend. 1.
  3. Bij besluit van 19 januari 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
  4. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Gelet op de zorgvuldige en inzichtelijke wijze waarop de medische belastbaarheid van appellante is onderzocht ziet de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid en de volledigheid van de in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) neergelegde beperkingen ten tijde van de datum in geding. De informatie van de revalidatiearts J.H. Martens en de psychiater prof. dr. R.S. Kahn is bij de beoordeling betrokken. Appellante is in staat de werkzaamheden behorende bij de geselecteerde functies te verrichten.
  5. Appellante stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat zij volledig arbeidsongeschikt is. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft zij informatie van Altrecht, van de reumatologe en van prof. dr. Kahn overgelegd.
  6. De Raad overweegt als volgt. 4.
  7. In geschil is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante vanaf 5 juni
  8. 4.
  9. Net als de rechtbank ziet de Raad onvoldoende aanknopingspunten om de belastbaarheid van appellante op die datum, zoals neergelegd in de FML, voor onjuist te houden. In alle rubrieken van de FML zijn beperkingen aangenomen, ook energetische beperkingen. Appellante heeft niet met objectieve gegevens aannemelijk gemaakt dat haar belastbaarheid op die datum meer beperkt is. De door appellante overgelegde informatie van Altrecht, van de reumatologe en van prof. dr. Kahn is daarvoor onvoldoende. De Raad wijst in dit verband ook op de rapporten van de bezwaarverzekeringsarts van 5 maart 2013 en 10 december
  10. In deze rapporten is overtuigend toegelicht dat de door appellante overgelegde informatie niet leidt tot de conclusie dat in de FML onvoldoende rekening gehouden is met de beperkingen van appellante. 4.
  11. In het voorgaande ligt besloten dat de Raad voldoende informatie heeft over de medische situatie van appellante op de datum in geding. De Raad ziet dan ook geen reden om een deskundige te raadplegen. 4.
  12. Met de in de FML opgenomen beperkingen moet appellante in staat worden geacht de voor haar geselecteerde functies uit te oefenen. 4.
  13. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
  14. Nu eerst in hoger beroep afdoende is toegelicht dat appellante, ondanks de signalering, ook de functie magazijn, expeditiemedewerker kan uitoefenen, bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 974,- in beroep en op € 974,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 1.948,-. Van andere kosten is de Raad niet gebleken. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak; bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 157,- vergoedt; veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.948,-. Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 augustus
  15. (getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen (getekend) H.J. Dekker IvZ

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.