14/2418 WUV Datum uitspraak: 4 september 2014 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak in het geding tussen Partijen: [appellante] te [woonplaats], Indonesië (appellante) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft R. Thümann beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 4 maart 2014, kenmerk BZ01702945 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940‑1945 (Wuv). Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni
- Voor appellante is R. Thümann verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs. OVERWEGINGEN 1.
- Appellante is bij besluit van 14 juli 2005 gelijkgesteld met de vervolgde in de zin van de Wuv. Met ingang van 1 oktober 2004 is haar onder meer een periodieke uitkering toegekend. De grondslag van de uitkering is met toepassing van artikel 8, derde lid, onder b, van de Wuv vastgesteld naar het inkomen in Indonesisch courant dat uit het in Indonesië uitgeoefende beroep of bedrijf zou zijn genoten (rupiah-grondslag). 1.
- Eind 2012 heeft de Raad in een geschil tussen verweerder en een andere uitkeringsgerechtigde (L) een uitspraak gedaan die inhoudt dat het hanteren van de rupiah-grondslag een onderscheid op grond van nationale afkomst oplevert dat in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). Dit betekende dat artikel 8, derde lid, onder b, van de Wuv gelet op de artikelen 93 en 94 van de Grondwet buiten toepassing had moeten worden gelaten en dat de uitkering van L op grond van de hoofdregel, neergelegd in onderdeel a van dit artikellid, had moet worden berekend naar de grondslag in euro's (CRvB 20 december 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY7821). 1.
- Die uitspraak van de Raad heeft geleid tot indiening van een voorstel van wet op grond waarvan in de Wuv de grondslag naar het inkomen in Indonesisch courant komt te vervallen (Kamerstukken II, 2013‑2014, 33 856, nr. 2). Onderdeel van het voorstel is, deze wijziging te laten terugwerken tot de datum van de uitspraak van de Raad. Vooruitlopend op de totstandkoming van de wetswijziging heeft verweerder het beleid ontwikkeld om uitkeringen op basis van de rupiah-grondslag alvast ambtshalve naar de euro-grondslag te herzien. Als ingangsdatum geldt daarbij 1 december
- Dit is de eerste dag van de maand waarin de Raad zijn uitspraak heeft gedaan. 1.
- Bij besluit van 25 september 2013 heeft verweerder met ingang van 1 december 2012 onder meer de grondslag van de uitkering van appellante voorlopig vastgesteld op € 2.004,74 per maand. Het hiertegen gerichte bezwaar van appellante is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.
- Naar aanleiding van hetgeen partijen in beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt. 2.
- In geschil is uitsluitend de ingangsdatum van de omzetting naar de euro-grondslag. Deze is door verweerder gesteld op 1 december
- 2.
- Niet valt in te zien dat verweerder een eerdere ingangsdatum had moeten toepassen dan de eerste dag van de maand waarin de Raad de onder 1.2 genoemde uitspraak heeft gedaan. De in het verleden jegens appellante tot stand gebrachte besluitvorming is inmiddels rechtens onaantastbaar geworden. Dat de Raad in een andere zaak heeft geoordeeld dat de wetgeving waarop die besluitvorming was gebaseerd buiten toepassing had moeten worden gelaten, heeft weliswaar terecht ook buiten het bestek van die zaak tot aanpassingen voor de toekomst geleid, maar maakt niet dat verweerder tevens al hetgeen in het verleden jegens appellante is besloten - en, logischerwijs, ook alle jegens andere personen dan appellante genomen besluiten waarbij de rupiah-grondslag is toegepast - uit eigen beweging met terugwerkende kracht aan de bewuste uitspraak van de Raad had moeten aanpassen. Het leerstuk van de formele rechtskracht staat hieraan in de weg. Het bezwaar van appellante behoefde ook niet alsnog tot een ingreep als zojuist bedoeld te leiden. Naar vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 6 november 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG5037) brengen wijzigingen in rechtsopvatting, behoudens zeer bijzondere omstandigheden, immers geen verplichting met zich mee om terug te komen van eerdere, rechtens onaantastbaar geworden besluitvorming. 2.
- Dat appellante verweerder al op 10 september 2006 heeft verzocht de rupiah-grondslag in een euro-grondslag te wijzigen, waarbij zij zich heeft beroepen op het verbod van discriminatie, maakt niet dat in haar geval een eerdere ingangsdatum had moeten worden toegepast, nu appellante geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen het besluit van 23 december 2008 waarbij verweerder het bedoelde verzoek heeft afgewezen. Al aangenomen dat appellante dit besluit - zoals zij stelt - nooit heeft ontvangen, zij is ook op geen enkele wijze opgekomen tegen het uitblijven daarvan en moet, gezien het tijdsverloop, worden geacht daarin te hebben berust. 2.
- Ook het beroep van appellante op de brief van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 27 februari 2008 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal treft geen doel. In deze brief geeft de staatssecretaris, in navolging van een oordeel van de Commissie Gelijke Behandeling van 16 augustus 2007 (CBG 2007-152), blijk van een opvatting die in lijn ligt met de uitspraak van de Raad van 20 december
- Daarbij is weliswaar aangekondigd dat de wet zal worden aangepast, maar dat is iets anders dan het aankondigen van ambtshalve aanpassingen van rechtens vaststaande besluitvorming uit het verleden. Aan de genoemde brief heeft appellant evenmin enig vertrouwen mogen ontlenen ten aanzien van de ingangsdatum van de aangekondigde wetswijziging. Het uiteindelijk - pas na de uitspraak van de Raad - ingediende voorstel van wet gaf verweerder geen aanleiding om de ingangsdatum van de omzetting vroeger te stellen dan op 1 december
- 2.
- Door de ingangsdatum van de omzetting in lijn met het bepaalde in artikel 34, eerste lid, van de Wuv te stellen op de eerste dag van de maand waarin de Raad zijn uitspraak heeft gedaan, heeft verweerder appellant niet tekort gedaan. 2.
- Het beroep is dus ongegrond.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 september
- (getekend) A. Beuker-Tilstra De griffier is buiten staat te ondertekenen HD