12/5180 WIA Datum uitspraak: 24 januari 2014 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 22 augustus 2012, 11/907 (aangevallen uitspraak) Partijen: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant) [Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene) PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft[v.K.], werkzaam bij [ACT], een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2013. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door T. van der Weert. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door[v.K.]. OVERWEGINGEN 1.1. Ten tijde in geding volgde betrokkene de (voltijdse) hoger beroepsopleiding Sociaal Pedagogische Hulpverlening en liep zij in dat kader stage. Sinds 2009 verrichtte zij naast haar studie werkzaamheden bij Meetpoint voor Kids. Dit werk houdt in dat zij één keer per maand een weekend een groep kinderen begeleidt. In verband met haar auditieve beperking heeft betrokkene hoortoestellen (op de proef) aangeschaft. Betrokkene heeft op 20 januari 2011 bij het Uwv een aanvraag ingediend voor vergoeding van de kosten van de hoortoestellen. 1.2. Bij besluit van 9 februari 2011 heeft appellant geweigerd deze vergoeding toe te kennen. Betrokkene heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 8 juli 2011 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 9 februari 2011 ongegrond verklaard. Appellant heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat de voorziening niet uitsluitend en alleen wordt gebruikt voor het werk. 2.1. In het kader van de beroepsprocedure heeft de rechtbank bij tussenuitspraak van 2 mei 2012 appellant in de gelegenheid gesteld om het in de tussenuitspraak omschreven motiveringsgebrek in het bestreden besluit te herstellen. Bij brief van 4 juni 2012 heeft appellant zich, onder verwijzing naar het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige, op het (nadere) standpunt gesteld dat de bezwaararbeidsdeskundige nader heeft onderzocht of er in de werksituatie van betrokkene bijzondere eisen aan het gehoor worden gesteld en dat is geconcludeerd dat er in de werksituatie geen hogere eisen aan de hoortoestellen worden gesteld dan in de leefsfeer. 2.2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, met bepalingen over de proceskosten en het griffierecht, het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het besluit van 9 februari 2011 herroepen. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat betrokkene een tegemoetkoming in de kosten van de aanschaf van de hoortoestellen wordt toegekend, vermeerderd met de wettelijke rente en dat de uitspraak in de plaats van het bestreden besluit treedt. Kort samengevat heeft de rechtbank geoordeeld dat nu appellant niet heeft betwist dat betrokkene haar hoortoestellen nodig heeft in haar werksituatie het niet van betekenis is dat de hoortoestellen ook ten goede komen aan de privésfeer en de studie. 3.1. Appellant heeft in hoger beroep - kort gezegd - aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat niet slechts relevant is of de voorziening noodzakelijk is voor de werksituatie, maar dat ook moet zijn voldaan aan de voorwaarde dat de voorziening is geïndiceerd, dan wel vrijwel uitsluitend noodzakelijk is voor de werksituatie. Daarvan is hier geen sprake omdat geen sprake is van een werksituatie waarin hogere eisen aan de hoortoestellen worden gesteld dan in de leef- en studiesfeer. 3.2. Betrokkene heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. In artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is - voor zover van belang - bepaald dat het Uwv aan een persoon met een naar het oordeel van het Uwv structurele functionele beperking, die arbeid in dienstbetrekking verricht of die arbeid in dienstbetrekking gaat verrichten, op aanvraag voorzieningen kan toekennen die strekken tot behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid. In artikel 35, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wet WIA - voor zover van belang - worden onder voorzieningen als bedoeld in het eerste lid verstaan de bij de arbeid te gebruiken hulpmiddelen, die in overwegende mate op het individu van de persoon zijn afgestemd. Op grond van artikel 35, vijfde lid, van de Wet WIA kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel. 4.2. Aan artikel 35, vijfde lid, van de Wet WIA is uitvoering gegeven door vaststelling van het Reïntegratiebesluit (Stb. 2005, 622). Artikel 2, eerste lid, van het Reïntegratiebesluit bepaalt dat een voorziening als bedoeld in artikel 35 van de WIA niet wordt verleend indien het een voorziening betreft die
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.