13/555 WIA Datum uitspraak: 24 oktober 2014 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 december 2012, 12/707 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. E. Wolter, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 september
- Namens appellant is mr. Wolter verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer. OVERWEGINGEN 1.
- Bij besluit van 5 augustus 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 16 augustus 2010 geen recht is ontstaan op een uitkering krachtens de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat hij per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is geacht. 1.
- Bij besluit van 3 januari 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 augustus 2011 ongegrond verklaard.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij per datum einde wachttijd, 16 augustus 2010, meer beperkingen heeft dan is aangenomen door de verzekeringsartsen van het Uwv. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen aanleiding hoeven te zien om een urenbeperking aan te nemen. De informatie van de behandelend psychiater D. Balraadjsing van 18 juli 2012 is door de verzekeringsartsen meegewogen bij de medische beoordeling. De rechtbank heeft geen reden gezien om te twijfelen aan de juistheid van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 14 juli
- De aan het bestreden besluit ten grondslag liggende functies zijn door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep besproken en passend geacht. De rechtbank acht dit juist. Hieruit volgt dat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt zodat appellant terecht een WIA-uitkering is geweigerd.
- Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat hij meer beperkingen heeft dan door het Uwv is aangenomen en dat er gezien zijn gezondheidsklachten aanleiding zou kunnen zijn voor het toepassen van een urenbeperking. Appellant heeft gesteld dat het beeld dat de bedrijfsarts in juni 2010 van zijn arbeidsmogelijkheden en beperkingen schetst meer recht doet aan zijn situatie rond de datum in geding dan hetgeen geruime tijd later door de verzekeringsartsen van het Uwv is opgetekend.
- De Raad overweegt als volgt. 4.
- De Raad onderschrijft hetgeen de rechtbank heeft overwogen en beslist. De verzekeringsartsen hebben zorgvuldig onderzoek verricht en het oordeel in de verzekeringsgeneeskundige rapporten voldoende gemotiveerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in haar rapport van 7 december 2011 voldoende gemotiveerd waarom zij geen urenbeperking heeft aangenomen. In haar aanvullende rapporten van 2 februari 2012, 20 augustus 2012 en 20 september 2012 heeft zij de medische informatie beoordeeld die na het bestreden besluit is ingebracht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in deze medische gegevens geen aanleiding gezien om in de FML meer of andere beperkingen op te nemen. 4.
- Appellant heeft in hoger beroep verwezen naar de door de bedrijfsarts vastgestelde belastbaarheid, zoals weergegeven in het arbeidskundig rapport van 25 juni
- Zoals de Raad eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 4 september 2009 (ECLI:2009:NL:CRVB:BJ7039) is het de uitsluitende taak van de verzekeringsarts om de beperkingen van verzekerden in kaart te brengen en vast te leggen in een FML en is de verzekeringsarts daarbij niet gehouden tot een bijzondere motivering in het geval deze vastlegging een andere uitkomst heeft dan een door de bedrijfsarts ingevuld exemplaar van de FML. Ook heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat er niet aan kan worden voorbijgegaan dat een door de bedrijfsarts opgestelde FML bedoeld is om de re-integratiemogelijkheden van de betrokkene in kaart te brengen, dus met een ander doel dan de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de Wet WIA. Tevens wijst de Raad er op dat een medische onderbouwing van de door de bedrijfsarts aangenomen belastbaarheid ontbreekt. 4.
- Ten slotte kan worden vastgesteld dat er evenmin aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat de belasting die is verbonden aan de functies die bij de schatting in aanmerking zijn genomen de voor appellant vastgestelde belastbaarheid overschrijdt.
- Uit hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.3 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 oktober
- (getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen (getekend) A.C. Oomkens TM