13/3448 WWB Datum uitspraak: 29 oktober 2014 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 mei 2013, 12/4590 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats](appellant) het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. N. van Bremen, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 17 september 2014. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant heeft op 9 mei 2012 een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) aangevraagd en over zijn woonsituatie gemeld dat zijn zoon op zijn adres staat ingeschreven maar daar niet verblijft. Diezelfde dag heeft appellant met een klantmanager gesproken over zijn aanvraag. Naar aanleiding van de aanvraag is aan appellant een voorschot verstrekt. Op 10 mei 2012 zijn een aantal stukken van appellant ontvangen, waaronder twee bankafschriften van appellant van 20 maart 2012 en 17 april 2012. Bij brief van 11 mei 2012 heeft het college uitgelegd dat voor de beoordeling van de aanvraag nog een aantal gegevens nodig is, en heeft het college appellant verzocht een aantal in die brief genoemde nadere gegevens te brengen op het adres van Werkplein Schiekade of daarheen op te sturen. In dezelfde brief is 21 mei 2012 genoemd als uiterste datum van de hersteltermijn om de aanvraag aan te vullen en gewezen op de mogelijkheid van verlenging van die termijn als appellant op tijd aangeeft dat het hem niet lukt om alle gegevens uiterlijk op 21 mei 2012 in te leveren. 1.2. Bij brief van 19 mei 2012, ontvangen op 22 mei 2012, heeft appellant gereageerd op dit verzoek. In die brief heeft appellant erop gewezen dat zijn zoon in Rusland woont en dat hij geen bankafschriften van zijn zoon kan sturen. Op 22 mei 2012 heeft het college besloten de aanvraag van appellant met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht niet in behandeling te nemen. Bij afzonderlijk besluit van dezelfde datum heeft het college het aan appellant bij wijze van geldlening verstrekte voorschot op bijstand van € 841,94 van appellant teruggevorderd. 1.3. Bij besluit van 12 september 2012 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 22 mei 2012 ongegrond verklaard en die besluiten gehandhaafd. Het college heeft daartoe overwogen dat de gevraagde gegevens met betrekking tot de zoon van appellant niet meer noodzakelijk zijn vanwege het tussentijds met terugwerkende kracht afschaffen van de zogenoemde huishoudtoets. De van appellant gevraagde afschriften van al diens betaal- en spaarrekeningen vanaf 1 februari 2012, een ingevuld inlichtingenformulier onderhoudsplicht, een schriftelijke verklaring en bewijsstukken over het ontslag van appellant, hoe appellant heeft voorzien in het levensonderhoud vanaf 21 december 2012 en de reden dat hij zich niet eerder heeft gemeld voor een bijstandsuitkering, zijn volgens het college echter wel noodzakelijk. Omdat geen van laatstgenoemde gegevens tijdig zijn ingeleverd en ook niet uiterlijk op 21 mei 2012 is verzocht om uitstel, is volgens het college terecht gebruik gemaakt van de bevoegdheid om de aanvraag van 9 mei 2012 buiten behandeling te laten en is het voorschot terecht teruggevorderd. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. 3. Appellant heeft in zijn hogerberoepschrift gesteld dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.