← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2014:3536

13/1313 WIA Datum uitspraak: 31 oktober 2014 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 23 januari 2013, 12/3020 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 september

  1. Appellant is met bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. van Steenwijk. OVERWEGINGEN 1.
  2. Appellant, laatstelijk werkzaam als glazenwasser, heeft zich op 2 november 2009, vanuit de situatie dat hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, ziekgemeld in verband met handklachten. Op 6 januari 2012 heeft hij een uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. 1.
  3. Bij besluit van 5 maart 2012 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij per 18 december 2011 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet WIA. 1.
  4. Bij bestreden besluit van 25 juli 2012 heeft het Uwv het tegen het besluit van 5 maart 2012 ingediende bezwaar ongegrond verklaard.
  5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor de conclusie dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de belastbaarheid van appellant onjuist heeft beoordeeld. De rechtbank is verder van oordeel dat het Uwv de geduide functies op goede gronden heeft gebruikt voor de schatting.
  6. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn belastbaarheid is overschat en dat hij niet in staat is de voor hem geselecteerde functies te vervullen.
  7. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met zijn stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en leidt de Raad niet tot een ander oordeel dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. Ook in hoger beroep heeft appellant geen medische stukken ingebracht die aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat hij op de datum in geding op medisch objectieve gronden meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. In beroep heeft het Uwv afdoende toegelicht dat het nieuwe medicijngebruik niet betekent dat de beperkingen van appellant zijn onderschat. Dat dit oordeel van het Uwv niet in een verzekeringsgeneeskundig rapport is neergelegd, maar na mondeling overleg met de verzekeringsarts bezwaar en beroep tot stand is gekomen, betekent niet dat daaraan geen waarde wordt toegekend. Uitgaande van een juiste vaststelling van de functionele mogelijkheden van appellant is er geen reden om te twijfelen aan de medische geschiktheid van de voor appellant geduide functies. Geconcludeerd wordt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Gelet op dit oordeel is voor het toekennen van schadevergoeding geen plaats.
  8. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - bevestigt de aangevallen uitspraak; - wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af. Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van J.C. Hoogendoorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 oktober
  9. (getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen (getekend) J.C. Hoogendoorn JvC

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.