← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2014:3563

12/4120 WWB Datum uitspraak: 28 oktober 2014 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 25 juni 2012, 12/372 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas (college) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. J.H.M. Verstraten, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 september

  1. Voor appellante is verschenen mr. Verstraten. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.F. van de Vlekkert. OVERWEGINGEN
  2. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
  3. Appellante ontving vanaf 15 juli 2009 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), sinds 1 januari 2011 naar de norm voor een alleenstaande. 1.
  4. Naar aanleiding van een anonieme melding dat appellante weinig thuis is op het[adres] te [B.], gemeente Peel en Maas (uitkeringsadres), heeft de sociale recherche van de regio Limburg Noord een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft een sociaal rechercheur in de periode van 30 juni 2011 tot en met 5 september 2011 bij het uitkeringsadres van appellante 34 waarnemingen gedaan, buurtbewoners en de vriend van appellante gehoord en op 19 september 2011 appellante zelf gehoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 6 december
  5. 1.
  6. De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 1 november 2011 de bijstand van appellante met ingang van 1 augustus 2011 te beëindigen (lees: in te trekken). 1.
  7. Bij besluit van 6 maart 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 1 november 2011 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante vanaf 19 juli 2011 haar hoofdverblijf buiten de gemeente Peel en Maas had en daarom geen recht op bijstand had jegens die gemeente.
  8. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden omdat zij er bij het college geen melding van heeft gemaakt dat zij in ieder geval gedurende ongeveer twee maanden voorafgaand aan haar gehoor op 19 september 2011 bij haar vriend in [W.] verbleef. Als gevolg van deze schending is het recht op bijstand in de periode vanaf 1 augustus 2011 niet meer vast te stellen en heeft het college de bijstand van appellante terecht met ingang van die datum ingetrokken.
  9. Appellante voert in hoger beroep aan dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand heeft gelaten omdat er onvoldoende onderzoek is verricht om de conclusie te kunnen dragen dat zij vanaf 1 augustus 2011 niet (langer) haar hoofdverblijf in [B.] had.
  10. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  11. De Raad stelt vast dat het college de intrekking van de bijstand per 1 augustus 2011 niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. In een dergelijk geval bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het intrekkingsbesluit. Dat betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 1 augustus 2011 tot en met 1 november
  12. 4.
  13. De vraag waar iemand zijn woonadres c.q. hoofdverblijf heeft dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand. 4.
  14. Appellante heeft op 19 september 2011 verklaard dat zij wel woont op het uitkeringsadres, maar tijdelijk verblijft bij haar vriend in [W.]. Zij schat dat dit sinds ongeveer twee maanden het geval is. Zij verklaarde tijdelijk bij haar vriend te verblijven omdat zij thuis eraan wordt herinnerd dat zij haar kinderen niet meer ziet. Zij heeft daarnaast verklaard dit niet te hebben doorgegeven aan de sociale dienst omdat haar hoofd daar niet naar stond. Appellante heeft de juistheid van deze verklaring niet betwist, maar voert aan dat het verblijf bij haar vriend hooguit twee of drie dagen per week betrof. Deze uitleg is echter slecht te rijmen met de hiervoor weergegeven verklaring en vindt bovendien geen steun in de waarnemingen en de verklaringen van buurtbewoners. Bij geen van de 34 waarnemingen, die op verschillende momenten van de dag plaatsvonden in de periode tussen 30 juni 2011 en 5 september 2011, is appellante op het uitkeringsadres aangetroffen. Wel werd waargenomen dat post in de brievenbus meerdere dagen bleef liggen en dat volle afvalbakken niet altijd op de ophaaldag waren buiten gezet. De buurtbewoners verklaarden appellante reeds drie weken tot een maand niet meer te hebben gezien. Deze onderzoeksgegevens vormen voldoende grondslag voor de conclusie dat appellante in de te beoordelen periode feitelijk niet op het uitkeringsadres verbleef. Het standpunt van appellante dat bij een huisbezoek zou zijn gebleken dat al haar persoonlijke eigendommen nog in die woning aanwezig waren, doet aan het voorgaande niet af. De aanwezigheid van persoonlijke eigendommen is immers niet beslissend voor het antwoord op de vraag of appellante in de te beoordelen periode op het uitkeringsadres verbleef. Hieruit volgt dat appellante in de te beoordelen periode de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen juiste mededeling te doen over de plaats waar zij feitelijk verbleef, met gevolg dat het recht op bijstand over die periode niet is vast te stellen. 4.
  15. Uit hetgeen onder 4.3 is overwogen vloeit voort dat de door appellante aangevoerde grond niet leidt tot het oordeel dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand heeft gelaten. Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.
  16. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten. Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en P.W. van Straalen en C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 oktober
  17. (getekend) O.L.H.W.I. Korte (getekend) C. Moustaine HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.