← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2014:3584

13/527 WW Datum uitspraak: 15 oktober 2014 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 december 2012, 12/3770 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellante]te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. D. van der Wal, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 september

  1. Namens appellante is mr. Van der Wal verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.C. van der Meer. OVERWEGINGEN 1.
  2. Appellante heeft op 11 augustus 2005 een arbeidsovereenkomst gesloten met [naam werkgever]([werkgever], waarbij appellante is dienst is getreden in de functie van directeur. Op 13 maart 2012 is [werkgever] in staat van faillissement verklaard. In verband daarmee heeft de curator bij brief van 15 maart 2012 voor zover er (nog) tussen appellante en [werkgever] een arbeidsovereenkomst bestond, deze arbeidsovereenkomst van appellante opgezegd. Appellante heeft op 27 maart 2012 een aanvraag gedaan om een uitkering op grond van Hoofdstuk IV van de Werkloosheidwet (WW), een zogenoemde faillissementsuitkering. 1.
  3. Bij besluit van 8 mei 2012 heeft het Uwv geweigerd appellante in aanmerking te brengen voor een faillissementsuitkering. Aan deze beslissing heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat appellante geen werknemer is in de zin van de WW, omdat de arbeidsverhouding tussen appellante en [werkgever] niet kan worden aangemerkt als een privaatrechtelijke dienstbetrekking in de zin van artikel 3 van de WW vanwege het ontbreken van een gezagsverhouding. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. 1.
  4. Bij besluit van 25 juli 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en het besluit van 8 mei 2012 gehandhaafd.
  5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellante in haar hoedanigheid van directeur met volledige volmacht zelf alle beslissingen nam ten aanzien van [werkgever]. Gelet hierop is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat er tussen appellante en [werkgever] geen sprake was van een gezagsverhouding, zodat appellante niet als werknemer in de zin van de WW kan worden aangemerkt. 3.
  6. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat er sprake was van een gezagsverhouding tussen haar en de beherend vennoot van [werkgever], [naam L.] Appellante had regelmatig overleg met de beherend vennoot en zij heeft de beherend vennoot eerst om toestemming gevraagd alvorens zij het faillissement van [werkgever] heeft aangevraagd. 3.
  7. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
  8. De Raad overweegt als volgt. 4.
  9. Ter beoordeling ligt voor of appellante kan worden aangemerkt als werknemer in de zin van de WW. Hiervoor is noodzakelijk dat tussen appellante en [werkgever] sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Voor de vraag of er sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking is maatgevend of tussen appellante en [werkgever] sprake was van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek, waarbij als criteria gelden een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon. Tussen partijen is slechts in geschil of er tussen appellante en [werkgever] sprake was van een gezagsverhouding. 4.
  10. Appellante heeft niet duidelijk gemaakt op welke wijze zij in [werkgever] onder gezag stond. Weliswaar was er een beherend vennoot, [naam L.], maar op welke manier die [naam L.] die ook weer op haar naam stond, gezag over haar uitoefende heeft appellante niet toegelicht. Appellante is geen werknemer in de zin van de WW is geweest. 4.
  11. Uit de overwegingen 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
  12. Voor een procesveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en C.C.W. Lange en R.P.Th. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 oktober
  13. (getekend) H.G. Rottier (getekend) W. de Braal Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip werknemer. HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.