14/5537 WIA-VV Datum uitspraak: 3 november 2014 Centrale Raad van Beroep Voorzieningenrechter Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening Partijen: [verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens verzoeker heeft mr. W.H. Benard, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 17 februari 2014, 13/1052 (aangevallen uitspraak) en bij brief van 2 oktober 2014 een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 oktober
- Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. Benard. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Ruis. OVERWEGINGEN 1.
- De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
- Bij besluit van 15 oktober 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat voor verzoeker met ingang van 1 november 2012 geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% was. Het hiertegen gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 3 april 2013 ongegrond verklaard.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van verzoeker tegen het besluit van 3 april 2013 ongegrond verklaard.
- In hoger beroep heeft verzoeker zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Het verzoek om voorlopige voorziening strekt ertoe dat het Uwv in afwachting van de definitieve beslissing van de Raad op het door hem ingestelde hoger beroep overgaat tot toekenning van voorschotten op een WIA-uitkering ter grootte van € 1.500,- per maand.
- De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 4.
- Verzoeker heeft ter onderbouwing van het door hem gestelde spoedeisend belang aangevoerd dat hij in een financiële noodsituatie dreigt te raken. Per 1 december 2014 zal het recht van verzoeker op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) eindigen. De inkomsten van zijn partner zijn onvoldoende om alle lasten van het gezin te kunnen betalen, zodat er vele schulden zullen gaan ontstaan. 4.
- De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker er niet in geslaagd is aannemelijk te maken dat sprake is van een (financieel) spoedeisend belang bij het treffen van de door hem verzochte voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter acht het van belang dat verzoeker desgevraagd ter zitting heeft verklaard dat hij nog zo’n € 6.000,- aan spaargeld heeft en dat ook zijn partner over eenzelfde bedrag beschikt. Gelet hierop acht de voorzieningenrechter, anders dan door verzoeker is betoogd, onvoldoende grond aanwezig om te oordelen dat verzoeker na 1 december 2014 in een situatie van financiële nood zal komen te verkeren. 4.
- Ook anderszins is de voorzieningenrechter niet gebleken van een voor verzoeker zo zwaarwegend belang dat de behandeling van de hoofdzaak niet zou kunnen worden afgewacht. Daarbij wist verzoeker dat en wanneer zijn WW-uitkering zou eindigen, zodat hij zich al lange tijd heeft kunnen voorbereiden op de consequenties van het verval van inkomen. Onder deze omstandigheden is een situatie van voldoende (financiële) spoedeisendheid onvoldoende aangetoond. 4.
- Uit het vorenstaande volgt dat niet voldaan is aan de in artikel 8:81 van de Awb gestelde voorwaarde van onverwijlde spoed, zodat het verzoek moet worden afgewezen.
- Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding. BESLISSING De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 november
- (getekend) E.W. Akkerman (getekend) W. de Braal QH