← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2014:3677

Datum uitspraak: 11 november 2014 14/4146 WWB Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 14 mei 2014, 14/2828 en 14/3114 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Den Haag PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. OVERWEGINGEN Ingevolge artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met de artikelen 6:7, 6:8, 6:9 en 6:11 van die wet geldt het volgende. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken. Deze termijn gaat in op de dag na die waarop de aangevallen uitspraak door middel van de toezending van een afschrift aan partijen is bekendgemaakt. Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. De uitspraak waartegen hoger beroep is ingesteld is op 15 mei 2014 in afschrift aangetekend aan partijen toegezonden. Het beroepschrift is op 23 juli 2014 ontvangen. Op grond hiervan moet worden geoordeeld dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend. Ten aanzien van een na afloop van de beroepstermijn ingediend beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Bij schrijven van 28 juli 2014 is aan appellant gevraagd naar de reden van de termijnoverschrijding. Appellant heeft daarop bij brieven van 3 september en 25 september 2014 geantwoord dat hij niet eerder dan bij brief van 17 juli 2014 bekend is geworden met de aangevallen uitspraak. Wat appellant heeft aangevoerd, bevat geen grond waarop redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Uit de gedingstukken blijkt dat de brief van 15 mei 2014 waarbij een kopie van de aangevallen uitspraak aangetekend aan appellant is verzonden, onbestelbaar is geretourneerd. De rechtbank heeft de aangevallen uitspraak vervolgens op 12 juni 2014 per gewone post nogmaals aan appellant gestuurd met de mededeling dat deze tweede verzending geen verandering brengt in de termijn voor het instellen van hoger beroep. Bij brief van 8 juni 2014, bij de rechtbank ingekomen op 10 juli 2014, heeft appellant verzocht om toezending van de aangevallen uitspraak. Bij brief van 17 juli 2014 heeft de rechtbank wederom de aangevallen uitspraak toegestuurd met de mededeling dat deze derde verzending geen verandering brengt in de termijn voor het instellen van hoger beroep. Gelet hierop is de aangevallen uitspraak op de voorgeschreven wijze bekend gemaakt. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van E.R. Flore als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 november 2014. (getekend) E.C.R. Schut (getekend) E.R. Flore Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord. HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.