13/850 ZW Datum uitspraak: 31 oktober 2014 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 11 januari 2013, 12/1565 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. N.C.A. Elias-Boots, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft nadere medische gegevens overgelegd waarop door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is gereageerd. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 september
- Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Elias-Boots. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door L. den Hartog. OVERWEGINGEN
- Appellante, laatstelijk via een uitzendbureau voor 32 uur per week werkzaam als productiemedewerkster in een electronicabedrijf, is op 20 december 2011 uitgevallen met handklachten links. Appellante is op 29 februari 2012 op het spreekuur van een verzekeringsarts geweest, die bij onderzoek geen objectiveerbare afwijkingen kon vaststellen en appellante per 1 maart 2012 weer geschikt heeft geacht voor haar arbeid. Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van 29 februari 2012 vastgesteld dat appellante met ingang van 1 maart 2012 geen recht meer heeft op ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW). Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv, in navolging van de bevindingen van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, als neergelegd in het rapport van 24 april 2012, bij besluit van 25 april 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is daarbij tot het oordeel gekomen dat het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen bezwaar en beroep voldoende zorgvuldig is geweest en dat de getrokken conclusies inzichtelijk zijn gemotiveerd. Ten aanzien van de door appellante overgelegde medische informatie van Argonaut en de Xpert-Clinic volgt de rechtbank het in de rapporten van 17 juli 2012 en 23 november 2012 door de verzekeringsarts bezwaar en beroep ingenomen standpunt. Uit de overgelegde informatie blijkt niet dat appellante vanwege objectieve medische afwijkingen ongeschikt is voor het verrichten van haar arbeid.
- In hoger beroep heeft appellante - samengevat - haar standpunt herhaald dat haar beperkingen aan beide handen ten aanzien van hand- en vingergebruik zijn onderschat en dat zij vanwege haar beperkingen niet in staat is haar arbeid te verrichten. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante diverse medische gegevens overgelegd van onder meer dr. T. Moojen, plastisch reconstructief- en handchirurg werkzaam bij Xpert-Clinic.
- De Raad oordeelt als volgt. 4.
- Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan het laatstelijk voor het intreden van de ongeschiktheid tot werken verrichte werk. In het onderhavige geval is dit het werk van appellante als productiemedewerkster in een electronicabedrijf. 4.
- Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van hetgeen zij in beroep heeft aangevoerd en geeft geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. 4.
- Ten aanzien van de in hoger beroep overgelegde medische informatie wordt geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapporten van 17 juni 2014 en 20 augustus 2014 inzichtelijk heeft gemotiveerd waarom geen aanleiding bestaat appellante op de datum in geding meer beperkt te achten dan van de zijde van het Uwv is vastgesteld. 4.
- Gelet op hetgeen in 4.1 tot en met 4.3 is overwogen slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd. Hieruit volgt dat op grond van artikel 8:73, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), veroordeling tot vergoeding van schade niet mogelijk is, zodat dit verzoek wordt afgewezen.
- Voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - bevestigt de aangevallen uitspraak; - wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af. Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 oktober
- (getekend) Ch. van Voorst (getekend) S. Aaliouli CVG