13/4107 WWB Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 4 juli 2013, 13/190 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het dagelijks bestuur van Werk en Inkomen Lekstroom (dagelijks bestuur) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. J. van Andel, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Andel. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.G. Berkenbosch. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Appellante ontvangt sinds 1 november 2005 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Uit heronderzoek in juli 2012 is gebleken dat de zus van appellante - in ieder geval vanaf 2010 - maandelijks een bedrag van € 100,- overmaakt op de bankrekening van appellante. Volgens appellante gebeurde dit “omdat zij niet kon rondkomen van haar bijstandsuitkering”. Van deze betalingen heeft appellante geen melding gemaakt bij het dagelijks bestuur. 1.2. Het dagelijks bestuur heeft hierop bij besluit van 9 augustus 2012 (besluit 1) de bijstand van appellante over de periode van 1 januari 2012 tot en met 30 juni 2012 herzien en de teveel verleende bijstand over april tot en met juni 2012 verrekend met de bijstand van appellante over de maand juli 2012. Bij besluit van 14 augustus 2012 (besluit 2) is van appellante de teveel verstrekte bijstand over januari tot en met maart 2012 tot een bedrag van € 300,- van haar teruggevorderd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellante in strijd met de wettelijke inlichtingenverplichting geen melding heeft gemaakt van de ontvangst van structurele bijdragen van haar zus ter voorziening in de kosten van haar levensonderhoud. Bij besluit van 28 november 2012 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar tegen besluit 1 ongegrond verklaard en de verrekening alsnog ongedaan gemaakt, waarna het met de bijstand over juli 2012 verrekende bedrag alsnog aan appellante is nabetaald. Bij besluit van 24 oktober 2012 is ook de teveel verstrekte bijstand over de periode van april tot en met juni 2012 van haar teruggevorderd. Het daartegen gerichte bezwaar is bij besluit van 26 februari 2013 ongegrond verklaard. Daartegen is geen beroep ingesteld. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat de door appellante van haar zus ontvangen bedragen van € 100,- per maand niet als lening, maar als inkomsten in de zin van artikel 31 (lees: 32), eerste lid, van de WWB moeten worden aangemerkt. Door van de bijschrijving op haar bankrekening geen melding te maken heeft appellante de in artikel 17, eerste lid, van de WWB neergelegde inlichtingenverplichting geschonden. 3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe is, samengevat, aangevoerd dat voldoende is aangetoond dat het om geleende bedragen ging die moeten worden terugbetaald. De maandelijkse bijdragen van de zus kunnen dus niet als inkomsten worden aangemerkt. Volgens appellante was zij om die reden ook niet verplicht melding te maken van de van haar zus ontvangen bedragen. Met ingang van 1 januari 2014 is appellante maandelijks € 100,- gaan aflossen op de lening. 4. Bij wijze van verweer is door het dagelijks bestuur, samengevat, naar voren gebracht dat pas in de bezwaarfase is gesteld dat sprake was van een lening, dat zo al sprake is van een lening (wat niet aannemelijk is gemaakt) in dit kader ook dan niet aan de daaruit beschikbare middelen kan worden voorbijgezien omdat leningen niet onder de vrijstelling van artikel 31, tweede lid, van de WWB vallen en, ten slotte, dat uit coulance is besloten de herziening in tijdsduur te beperken tot de periode van 1 januari 2012 tot en met 30 juni 2012. 5. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 5.1. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de WWB, voor zover hier van belang, worden tot de middelen gerekend alle inkomens- en vermogensbestanddelen waarover de alleenstaande beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat bepaalde, daar genoemde, inkomens- en vermogensbestanddelen niet tot de middelen worden gerekend, waaronder giften voor zover deze naar het oordeel van het college uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn. 5.2. Volgens artikel 32, eerste lid, van de WWB wordt onder inkomen verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking genomen middelen voor zover deze (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.