13/1962 WAO Datum uitspraak: 12 februari 2014 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 22 maart 2013, 11/1717 WAO Partijen: [Verzoeker] te Marokko (verzoeker) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Verzoeker heeft bij een op 12 april 2013 bij de Raad binnengekomen brief verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 22 maart 2013, 11/1717 WAO. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december
- Verzoeker is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer. OVERWEGINGEN 1.
- Bij besluit van 5 december 2007 heeft het Uwv geweigerd verzoeker een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen. Het verzoek van verzoeker om dat besluit te herzien is door het Uwv bij besluit van 22 februari 2010 afgewezen. Het door verzoeker tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 6 mei 2010 ongegrond verklaard. Daarin heeft het Uwv zijn bij besluit van 22 februari 2010 ingenomen standpunt, dat er geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gehandhaafd. 1.
- Het door verzoeker tegen het besluit van 6 mei 2010 ingestelde beroep is door de rechtbank Amsterdam bij uitspraak van 10 februari 2011, 10/2528 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 22 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5259, waarvan thans herziening wordt gevraagd, heeft de Raad deze uitspraak bevestigd. Daarin is overwogen dat de rechtbank terecht en met de juiste motivering heeft geoordeeld dat het besluit van 6 mei 2010 in stand kan blijven.
- Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die: a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak; b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en c. waren ze bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
- De Raad komt tot het volgende oordeel. 3.
- Vastgesteld wordt dat de door verzoeker in deze procedure overgelegde medische verklaring van 12 november 2013 van ná 22 maart 2013 is. Ten aanzien van de overige door verzoeker in deze procedure overgelegde (medische) verklaringen, die van vóór 22 maart 2013 zijn, wordt overwogen dat niet gebleken is dat deze verklaringen niet voor deze datum bij verzoeker bekend waren, dan wel redelijkerwijs bekend hadden kunnen zijn. Dit betekent dat het verzoek niet voldoet aan de in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb genoemde voorwaarden en dat het verzoek moet worden afgewezen.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af. Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en J.S. van der Kolk en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 februari
- (getekend) J.J.T. van den Corput (getekend) S. Aaliouli sg