← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2014:4133

14/2768 ZVW Datum uitspraak: 10 december 2014 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 april 2014, 13/4116 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (Turkije) (appellant) Zorginstituut Nederland (Zorginstituut) als rechtsopvolger van het College voor zorgverzekering (Cvz) PROCESVERLOOP Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Wet cliëntenrechten zorg en andere wetten in verband met de taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van de zorg (Stb. 2013, 578) oefent het Zorginstituut per 1 april 2014 de bevoegdheden uit die voorheen door Cvz werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder het Zorginstituut mede verstaan Cvz. Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Zorginstituut heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober

  1. Appellant is niet verschenen. Het Zorginstituut heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Nijman. OVERWEGINGEN
  2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant gericht geacht tegen het besluit van het Zorginstituut van 11 juni 2013 - waarbij het bezwaar van appellant tegen een herziene definitieve jaarafrekening voor de buitenlandbijdrage op grond van de Zorgverzekeringswet voor het jaar 2007 niet-ontvankelijk is verklaard - ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat het Zorginstituut terecht heeft vastgesteld dat het bezwaarschrift buiten de bezwaartermijn is ingediend en dat geen redenen bestaan de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.
  3. Appellant heeft in hoger beroep uiteengezet dat de aangevallen uitspraak onjuist is, omdat hij in slechte gezondheid verkeert en dat in 1999 zijn inkomsten zijn gedaald van 2330 gulden naar 815 gulden. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij in een slechte gezondheidstoestand verkeert heeft appellant een aantal stukken afkomstig van medisch behandelaars overgelegd. Appellant eist - nu hij in Nederland heeft gewerkt en in Nederland zijn gezondheid heeft verloren - dat de Nederlandse Staat verantwoording zal dragen voor hem en zijn gezin. 3.
  4. Appellant heeft in hoger beroep geen gronden aangevoerd die zien op het door de rechtbank gegeven oordeel als weergegeven in
  5. Appellant heeft niet bestreden het uitdrukkelijk gemotiveerde oordeel van de rechtbank dat het beroep zich richt tegen het besluit van 11 juni
  6. Evenmin heeft appellant bestreden het oordeel van de rechtbank dat het Zorginstituut terecht heeft aangenomen dat sprake is van niet verschoonbare termijnoverschrijding. De stukken van medische aard bevatten ook geen enkel aanknopingspunt voor het oordeel dat de medische toestand van appellant het voor hem onmogelijk maakte tijdig een bezwaarschrift in te dienen of in te laten dienen. 3.
  7. De Raad heeft overigens in de gedingstukken, noch bij onderzoek in zijn administratie aanknopingspunten gevonden dat appellant heeft beoogd tegen een andere uitspraak dan de door hem bij het beroepschrift gevoegde uitspraak hoger beroep aan te tekenen. 3.
  8. Gelet op hetgeen is overwogen in 3.1 en 3.2 treft het hoger beroep geen doel en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.
  9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 december
  10. (getekend) J. Brand (getekend) D. van Wijk nk

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.