← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2014:492

11/2679 AOW Datum uitspraak: 19 februari 2014 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 april 2011, 11/40 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats], Marokko (appellant) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 augustus

  1. Appellant is daar niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg. Ter zitting is het onderzoek geschorst. Bij brief van 8 oktober 2012 heeft de Svb een vraag van de Raad beantwoord. Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 18 oktober
  2. Appellant is daarbij niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg. Ter zitting is het onderzoek wederom geschorst. Partijen hebben nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 19 december
  3. Appellant is daarbij niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg. OVERWEGINGEN 1.
  4. Tussen partijen is in hoger beroep uitsluitend in geschil of de Svb bij het besluit van 30 juli 2010, zoals gehandhaafd bij het bestreden besluit van 7 december 2010, terecht met ingang van 1 juli 2011 aan appellant een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) heeft toegekend van 36% van het volledige pensioen voor een gehuwde en een toeslag voor zijn partner van 46% van de maximale toeslag. Daarbij is de Svb ervan uitgegaan dat appellant niet verzekerd is geweest over de periode van 1 juli 1961 tot en met 20 januari 1982 en van 1 januari 2000 tot en met 30 juni 2011, in totaal 32 jaar. De partner van appellant is niet verzekerd geweest over de periode van 17 september 1965 tot en met 20 januari 1982 en van 1 januari 2000 tot en met 30 juni 2011, in totaal 27 jaar en 10 maanden. De Svb heeft in het bijzonder overwogen dat enkel het overleggen van kopieën van bewijzen van inschrijving bij een ziekenfonds onvoldoende is om aan te nemen dat sprake is van ingezetenschap of het verrichten van arbeid in Nederland. 1.
  5. Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat hij voor langere periodes in Nederland heeft gewoond en gewerkt dan in het bestreden besluit is aangenomen. Ter ondersteuning van zijn betoog heeft appellant nogmaals verwezen naar de door hem overgelegde kopieën van inschrijvingen bij een ziekenfonds. 2.
  6. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 2.
  7. Vooropgesteld dient te worden dat appellant vanaf het begin van de procedure is gekomen met kopieën van bewijzen van inschrijving bij een ziekenfonds, als ook met andere relevante gegevens. Uit het dossier blijkt dat één van de bewijzen van inschrijving bij een ziekenfonds voor de Svb aanknopingspunt is geweest om appellant verplicht verzekerd te achten vanaf 21 januari
  8. 2.
  9. Ter zitting is vastgesteld dat de Svb, gelet op deze bijzondere situatie, niet langer bestrijdt dat appellant verzekerd is geweest ingevolge de AOW over de periode van 18 september 1975 tot 25 januari 1976, van mei 1976 tot februari 1977 en vanaf 2 mei 1978 tot 1 juni
  10. Het ontbreken van originele bewijzen van inschrijving wordt appellant niet langer tegengeworpen. 2.
  11. Uit het voorgaande volgt dat appellant gedurende, naar beneden afgerond, 30 jaar niet verzekerd is voor de AOW. Dit brengt mee dat de korting op de voor appellant geldende AOW 60% bedraagt. Tevens volgt hieruit dat de partner van appellant gedurende, naar beneden afgerond, 26 jaar niet verzekerd is geweest. Dit brengt mee dat de korting op de voor de partner geldende maximale toeslag 52% bedraagt. De Raad acht het aangewezen in die zin, conform artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zelf in de zaak te voorzien.
  12. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling nu van voor vergoeding in aanmerking komende kosten niet is gebleken. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep vernietigt de aangevallen uitspraak; verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 7 december 2010; vernietigt het besluit van 30 juli 2010; bepaalt dat appellant met ingang van juli 2011 recht heeft op een pensioen ingevolge de AOW van 40% van het voor hem geldende pensioen en op een toeslag voor zijn partner van 48% van de maximale toeslag; bepaalt dat de Svb aan appellant het betaalde griffierecht vergoedt van in totaal € 153,-. Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van J.C. Hoogendoorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari
  13. (getekend) T.L. de Vries (getekend) J.C. Hoogendoorn Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip kring van verzekerden. HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.