← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2014:517

13/3310 AOW Datum uitspraak: 19 februari 2014 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 29 april 2013, 12/5907 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. P.F.M. Gulickx, advocaat, hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december

  1. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Gulickx. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg. OVERWEGINGEN 1.
  2. Appellant is de enige erfgenaam van zijn vader, [naam vader appellant], die op 10 januari 2011 is overleden en die in het genot was van een pensioen in de zin van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Met een besluit van 15 maart 2012 (besluit 1) heeft de Svb appellant laten weten dat van hem een bedrag van € 7.277,33 wordt teruggevorderd, omdat aan zijn vader in de periode april 2008 tot en met december 2010 een te hoog bedrag aan toeslag op zijn AOW-pensioen is uitbetaald. Appellant is gemeld dat hij het bedrag binnen zes weken moet terugbetalen. Met een besluit van eveneens 15 maart 2012 (besluit 2) is de hoogte van de toeslag voor elke maand in de periode in geding opnieuw vastgesteld. 1.
  3. Appellant heeft op 21 maart 2012 telefonisch contact opgenomen met de Svb en heeft op 14 mei 2012 (door de Svb ontvangen op 18 mei 2012) een bezwaarschrift ingediend tegen besluit
  4. In de beslissing op bezwaar van 20 september 2012 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens, niet verschoonbare, overschrijding van de bezwaartermijn.
  5. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 3.
  6. In hoger beroep heeft appellant in essentie herhaald hetgeen hij ook in bezwaar en beroep had aangevoerd. In besluit 1 stond vermeld dat hij voor 19 augustus 2011 bezwaar kon maken, terwijl in besluit 2 gemeld werd dat voor 3 april 2012 bezwaar gemaakt moest worden. Dat namens de Svb in het telefonisch onderhoud van 21 maart 2012 gezegd zou zijn dat hij binnen zes weken schriftelijk bezwaar moest maken, kan appellant zich niet herinneren. De onduidelijkheid over de bezwaartermijn is veroorzaakt door de foute rechtsmiddelenvoorlichting van de Svb. De overschrijding van de termijn is daarom verschoonbaar. 3.
  7. Hoewel de foutieve rechtsmiddelenvoorlichting van de Svb in de beide besluiten in beginsel zou kunnen leiden tot verschoonbaarheid van de overschrijding van de bezwaartermijn, ziet de Raad hiertoe in dit geval geen aanleiding. Zo appellant al in verwarring is geraakt door de verschillende, beiden foutieve, data genoemd in de besluiten van 15 maart 2012 is hem tijdens het telefonisch onderhoud van 21 maart 2012, dus ruimschoots binnen de bezwaartermijn, verteld dat hij binnen zes weken schriftelijk bezwaar diende te maken. Dit betekent dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding en dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. 3.
  8. De rechtbank heeft het bestreden besluit dus op juiste gronden in stand gelaten. De aangevallen uitspraak dient dan ook bevestigd te worden.
  9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van J.C. Hoogendoorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari
  10. (getekend) T.L. de Vries (getekend) J.C. Hoogendoorn ew

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.