← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2014:555

12/2995 AWBZ Datum uitspraak: 19 februari 2014 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 april 2012, 11/6217 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. B.B.A. Willering, advocaat, hoger beroep ingesteld. CIZ heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari

  1. Appellant is niet verschenen. CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Kersjes-van Bussel. OVERWEGINGEN 1.
  2. Bij besluit van 10 augustus 2011 heeft CIZ de aanvraag van appellant om een indicatie op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) voor de functie begeleiding groep te stellen afgewezen. 1.
  3. Bij besluit van 18 november 2011 (bestreden besluit) heeft CIZ het bezwaar van appellant tegen het besluit van 10 augustus 2011 ongegrond verklaard. Hierbij heeft CIZ overwogen dat geen sprake is van een psychiatrische grondslag voor AWBZ-zorg. Voorts is GGZ-behandeling en/of een voorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning voorliggend.
  4. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat gesteld noch gebleken is dat het aan de besluitvorming ten grondslag gelegde medisch onderzoek op ondeugdelijke wijze heeft plaatsgevonden. De enkele stelling van appellant dat wel een psychiatrische grondslag aanwezig is, heeft de rechtbank ontoereikend geacht om tot een ander oordeel te komen. Appellant heeft, ondanks dat dit op zijn weg lag, niet aan de hand van medische stukken onderbouwd waarom de conclusies in de medische rapporten niet juist zijn, of op één of meer punten concreet aangegeven waarom de medische adviezen niet deugdelijk zijn.
  5. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat er wel een psychiatrische grondslag aanwezig is.
  6. De Raad overweegt het volgende. 4.
  7. Evenals de rechtbank ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit en de daaraan ten grondslag liggende besluitvorming van CIZ onjuist is. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig en verenigt zich met het op grond daarvan gegeven oordeel. 4.
  8. Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe gronden naar voren gebracht en/of gemotiveerd waarom de rechtbank tot een ander oordeel had moeten komen. Het hoger beroep slaagt daarom niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
  9. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en W.H. Bel en D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari
  10. (getekend) R.M. van Male (getekend) Z. Karekezi CVG

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.