12/3785 WIA Datum uitspraak: 21 februari 2014 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 24 mei 2012, 11/151 WIA (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. C. Brouwer-Morren hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 januari
- Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door T. van der Weert. OVERWEGINGEN 1.
- Appellant was werkzaam als vertegenwoordiger in oliën, toen hij op 22 september 2008 uitviel met armklachten als gevolg van een val. 1.
- In reactie op de aanvraag van appellant om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen heeft het Uwv bij besluit van 17 augustus 2010 vastgesteld dat voor appellant met ingang van 20 september 2010 recht op een loongerelateerde WGA-uitkering is ontstaan, omdat appellant met ingang van 20 september 2010 44% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 24 januari 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard, waarbij het verlies aan verdiencapaciteit wel is verhoogd en is vastgesteld op 51,94%.
- De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank berust het bestreden besluit op een zorgvuldige en toerekende medische grondslag en eveneens op een juiste arbeidskundige grondslag.
- In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan hetgeen hij omtrent zijn klachten en daarbij behorende beperkingen heeft aangevoerd. Zijn eerdere bezwaren op dit punt handhaaft hij. Zijn standpunt dat hij niet in staat is de geduide functies te verrichten handhaaft hij ook.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Appellant stelt zich op het standpunt dat de beperkingen die hij ondervindt als gevolg van zijn klachten te licht zijn ingeschat. Meer specifiek stelt appellant dat beperkingen aangenomen hadden moeten worden met betrekking tot het boven schouderhoogte werkzaam zijn, het gebruik van de nek, gehoorproblemen, hand- en vingervaardigheden en vervoer. De combinatie van alle beperkingen geeft volgens appellant een zware belasting, waardoor hij ook beperkingen ondervindt op de aspecten werken met deadlines, productiepieken, hoog handelingstempo en langdurige concentratie. Vastgesteld kan worden dat dit standpunt een volledige herhaling is van het standpunt dat appellant in beroep reeds had ingenomen. 4.
- De rechtbank heeft op inzichtelijke en navolgbare wijze uiteengezet op welke wijze in de bezwaarfase en in de beroepsfase een bezwaarverzekeringsarts van het Uwv de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) heeft aangepast naar aanleiding van door de bezwaarverzekeringsarts ingewonnen medische gegevens en door appellant ingezonden medische stukken. Verder heeft de rechtbank met betrekking tot alle door appellant in hoger beroep herhaalde aspecten die tot meer beperkingen in de FML hadden moeten leiden, uitgebreid gemotiveerd waarom de inschatting door de bezwaarverzekeringsarts kan worden gevolgd. In hoger beroep heeft appellant geen nieuwe medische gegevens in geding gebracht, zodat het door het Uwv in het verweerschrift in hoger beroep ingenomen standpunt kan worden gevolgd. 4.
- Het standpunt van appellant over de geduide functies is eveneens een herhaling van zijn in beroep al ingenomen standpunt. Ook op dit punt heeft de rechtbank op inzichtelijke en navolgbare wijze uiteengezet waarom het bestreden besluit ook een juiste arbeidskundige grondslag berust, waarbij de rechtbank de geschiktheid van appellant voor elke functie afzonderlijk heeft besproken. De Raad verwijst naar die bespreking en schaart zich daarachter. 4.
- De overwegingen in 4.1 tot en met 4.3 leiden ertoe dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 februari
- (getekend) M.C. Bruning (getekend) E. Heemsbergen HD