← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2014:791

12/5746 WWB Datum uitspraak: 11 maart 2014 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 21 september 2012, 12/471 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te[woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. M.M. van Woensel, advocaat, hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 december

  1. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Woensel. Als tolk is verschenen M. Chbab. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A.J. Groenendaal. Tevens is verschenen de door appellant meegebrachte getuige [getuige], zoon van appellant. OVERWEGINGEN
  2. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
  3. Sinds 1 juli 2007 ontvangt appellant een ouderdomspensioen en een toeslag op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Tevens ontvangt appellant naast zijn pensioen van de Svb een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) op grond van artikel 47 a van de Wet werk en bijstand (WWB). 1.
  4. Na raadpleging van het register van de Dienst Wegverkeer (RDW) is de Svb in oktober 2011 gebleken dat op naam van appellant twee auto’s staan geregistreerd, te weten een [Mercedes](Mercedes) met kenteken[kentekennummer 1] en een [Audi] (Audi) met kenteken [kentekennummer 2]. De Mercedes staat sinds 13 september 2010 op naam van appellant geregistreerd en de Audi sinds 31 januari
  5. Op basis van onderzoek aan de hand van de koerslijsten van de ANWB en informatie van Marktplaats.nl is de waarde van de Mercedes vastgesteld op € 2.750,- en de waarde van de Audi op € 13.400,-. 1.
  6. Bij besluit van 10 november 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 december 2011 (bestreden besluit), heeft de Svb de AIO-aanvulling van appellant met ingang van 31 januari 2011 ingetrokken en de over de periode van januari 2011 tot en met oktober 2011 de ten onrechte uitbetaalde AIO-aanvulling ter hoogte van € 607,93 van appellant teruggevorderd. Hieraan ligt ten grondslag dat appellant de wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden, omdat hij sinds 31 januari 2011 twee auto’s op zijn naam heeft staan, waarvoor de waarde de voor appellant geldende vermogensgrens ter hoogte van € 11.110,- overschrijdt, zodat appellant geen recht heeft op AIO-aanvulling.
  7. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
  8. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Volgens appellant is er geen sprake van overschrijding van de vermogensgrens omdat de op zijn naam geregistreerde Audi niet van hem is maar van zijn zoon. De verzekeringspremie was voor appellant aanzienlijk lager dan voor zijn zoon. Daarom is de Audi op naam van appellant geregistreerd. Volgens appellant heeft hij aan de hand van de overgelegde bankafschriften van zijn zoon aangetoond dat de op zijn naam geregistreerde Audi niet van appellant, maar van zijn zoon was. Daarnaast is de Audi inmiddels weer op naam van zijn zoon geregistreerd, hetgeen vóór 31 januari 2011 eveneens het geval was.
  9. De Raad komt tot de volgende beoordeling, 4.
  10. De Svb heeft de intrekking niet beperkt tot een bepaalde periode. In een dergelijk geval bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het intrekkingsbesluit. Dat betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 31 januari 2011 tot en met 10 november
  11. 4.
  12. Tussen partijen is uitsluitend in geschil of de Audi gedurende de periode in geding tot het vermogen van appellant moet worden gerekend. 4.
  13. Vaststaat dat de Audi vanaf 31 januari 2011 in het kentekenregister van de RDW stond geregistreerd op naam van appellant. Het gegeven dat het kentekenbewijs van een auto op naam van een betrokkene staat, rechtvaardigt de vooronderstelling dat deze auto een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. 4.
  14. Appellant is er niet in geslaagd aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken dat de Audi niet aan hem, maar aan zijn zoon toebehoorde. Uit de door appellant overgelegde bankafschriften van zijn zoon kan dit niet worden afgeleid. Desgevraagd heeft appellant ook geen (betalings)bewijzen kunnen overleggen waaruit blijkt wie de Audi heeft gekocht en de aankoop heeft gefinancierd, door wie de motorrijtuigen belasting en onderhoudsbeurten zijn betaald en wie bij de verzekeringsmaatschappij stond geregistreerd als regelmatige bestuurder van de Audi. Gelet hierop heeft de Svb zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant met ingang van 31 januari 2011 geen recht op de AIO-aanvulling had, omdat zijn vermogen het voor hem vrij te laten vermogen overschreed. 4.
  15. Gelet op wat is overwogen onder 4.3 tot en met 4.4 slaagt het hoger beroep niet en komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
  16. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart
  17. (getekend) J.P.M. Zeijen (getekend) P.C. de Wit HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.