12/4559 WWB, 12/4560 WWB Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 31 juli 2012, 11/4153 en 12/583 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college) PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 28 januari
- Partijen zijn, zoals vooraf bericht, niet verschenen. OVERWEGINGEN
- De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
- Appellant is eigenaar van de woning [adres] te [woonplaats]. Hij bewoont deze woning zelf. Op de woning rust een hypothecaire last. Vanaf 1 juli 2003 heeft appellant periodieke bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag ontvangen voor de aan de woning verbonden eigenaarslasten, voor zover deze hoger zijn dan de voor appellant geldende normhuur. Woonkostentoeslag periode juni 2010 tot en met juni 2011 1.
- Bij brief van 13 juni 2010 heeft appellant bij het college woonkostentoeslag voor de periode vanaf 1 juli 2010 aangevraagd. Bij besluit van 31 augustus 2010, gehandhaafd bij besluit van 20 december 2010, heeft het college deze aanvraag afgewezen op de grond dat de woonlasten van appellant per maand niet hoger zijn dan de voor hem geldende basishuur. De rechtbank heeft het tegen het besluit van 20 december 2010 ingestelde beroep bij uitspraak van 3 mei 2011 ongegrond verklaard. 1.
- Nadat appellant de aanslag inkomstenbelasting (IB) over 2009 had ontvangen, heeft hij het college bij brief van 30 juli 2011 opnieuw verzocht om toekenning van woonkostentoeslag vanaf 1 juli
- Bij besluit van 27 oktober 2011 heeft het college, rekening houdend met de aanslag IB 2009, de aanvraag wederom afgewezen op de grond dat de woonlasten van appellant per maand niet hoger zijn dan de voor hem geldende basishuur. 1.
- Bij beslissing op bezwaar van 20 januari 2012 (bestreden besluit I) heeft het college het besluit van 27 oktober 2011 herroepen en aan appellant over de periode van 1 juli 2010 tot en met juni 2011een woonkostentoeslag van € 43,95 per maand toegekend. Woonkostentoeslag vanaf juni 2011 1.
- Bij brief van 26 juni 2011 heeft appellant bij het college woonkostentoeslag voor de periode vanaf 1 juli 2011 aangevraagd. Bij besluit van 11 augustus 2011 heeft het college appellant vanaf 1 juni 2011 woonkostentoeslag toegekend tot een bedrag van € 23,29 per maand. Bij de berekening van deze toeslag heeft het college rekening gehouden met een belastingteruggave IB over 2010 in verband met de aftrek wegens betaalde hypotheekrente. Bij beslissing op bezwaar van 14 november 2011 heeft het college het besluit van 11 augustus 2011gehandhaafd. Daarbij heeft het college de ingangsdatum van 1 juni 2011, waarmee werd afgeweken van de aanvraag, in stand gelaten.
- Bij aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar haar uitspraak van 3 mei 2011 (zie rechtsoverweging 1.2), overwogen dat het college bij de berekening van de woonkostentoeslag rekening mag houden met de belastingteruggave die appellant ontvangt in verband met de door hem betaalde hypotheekrente.
- Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover deze ziet op bestreden besluit I. Hij heeft aangevoerd dat het college een onjuiste uitleg geeft van wat in het handboek Sociale Zaken is geregeld over de woonkostentoeslag. Met name stelt hij zich op het standpunt dat, door het in aanmerking nemen van de belastingaanslag over 2009 op de wijze als door het college bij de berekening van de woonkostentoeslag is gedaan, de door hem betaalde hypotheekrente tot een te laag bedrag is meegerekend. De woonkostentoeslag over de periode van 1 juni 2010 tot en met 30 juni 2011 dient te worden vastgesteld op een bedrag van € 73,87 per maand.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor het hier van belang zijnde, door het college gehanteerde, beleidskader verwijst naar de meergenoemde uitspraak van de rechtbank van 3 mei
- 4.
- Uit artikel 35 van de Wet werk en bijstand volgt dat het college slechts bevoegd is bijzondere bijstand te verlenen voor noodzakelijke kosten van de betrokkene waarvoor deze niet de middelen heeft. In de uitspraak van 3 mei 2011 heeft de rechtbank geoordeeld dat met dat uitgangspunt in overeenstemming is dat het college bij de beoordeling van de vraag of de betrokkene in aanmerking komt voor woonkostentoeslag niet alleen rekening houdt met de door de betrokkene betaalde hypotheekrente, maar ook met de teruggave IB die de betrokkene ontvangt in verband met de betaalde hypotheekrente. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien daarover in dit geding anders te oordelen. 4.
- De herroeping van het besluit van 27 oktober 2011 bij bestreden besluit I houdt verband met een in het eerstgenoemde besluit gemaakte rekenfout met betrekking tot de in aanmerking te nemen hypotheekrente. De door appellant over 2009 betaalde hypotheekrente bedroeg € 1.785,-. Uit de definitieve aanslag IB 2009 kan worden afgeleid, nu niet van andere aftrekposten blijkt, dat appellant in verband met de door hem betaalde hypotheekrente een teruggave IB heeft ontvangen van € 359,-. Aan feitelijk voor rekening van appellant blijvende kosten wegens hypotheekrente resteerde dus een bedrag van € 1.426,- (€ 1.785,- min € 359,-). Uit bestreden besluit I blijkt dat het college met dat bedrag rekening heeft gehouden. Nu de berekening van de woonkostentoeslag voor het overige niet is bestreden, is de conclusie dat het college de woonkostentoeslag over de periode 1 juni 2010 tot en met 30 juni 2011 juist heeft vastgesteld op € 43,95 per maand. 4.
- Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt. -BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten. Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart
- (getekend) C. van Viegen (getekend) P.C. de Wit HD