← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2014:897

13/3337 WIA Datum uitspraak: 19 maart 2014 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 7 mei 2013, 11/4329 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. E.M.A. Leijser, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari

  1. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Leijser. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali. OVERWEGINGEN
  2. Appellante was werkzaam als telefonisch verkoopster. Ze is uitgevallen op 15 januari
  3. Zij is na voltooiing van de wachttijd per 12 januari 2009 minder dan 35% arbeidsongeschikt geacht. Om die reden is zij per 12 januari 2009 niet in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Appellante heeft zich op 8 april 2009 vanuit een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) arbeidsongeschikt gemeld wegens toegenomen psychische klachten. Na medische- en arbeidskundige onderzoeken heeft het Uwv bij besluit van 2 maart 2011 aan appellante een WIA-uitkering toegekend voor de periode van 8 april 2009 tot 6 april
  4. Bij besluit van eveneens 2 maart 2011 is de WIA-uitkering ingetrokken per 1 mei 2011, omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht.
  5. Bij besluit van 12 juli 2011 is het bezwaar gericht tegen het intrekkingsbesluit van 2 maart 2011 ongegrond verklaard. 4.
  6. De rechtbank heeft aanleiding gezien nader onderzoek te laten verrichten door achtereenvolgens reumatoloog J.F. Haverman en orthopedisch chirurg C.W. Jolles. Haverman stelt in zijn rapport van 9 mei 2012 dat het klachtenpatroon en de bevindingen bij lichamelijk onderzoek passen bij een chronisch pijnsyndroom c.q. een fibromyalgie. In de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 6 juni 2011 zijn de beperkingen voldoende verdisconteerd. Hij ziet geen gronden om een urenbeperking aan te raden. Aangezien appellante in maart 2011 een operatieve ingreep aan de rechterschouder onderging, adviseert Haverman aanvullend een orthopedisch onderzoek te verrichten. Jolles stelt in zijn rapport van 5 november 2012 dat de voornaamste klacht is gelegen in de schouderklachten rechts meer dan links op basis van een bursitis subacromialis, waardoor zij beide armen niet meer goed boven schouderhoogte kan krijgen. Er zijn voor wat betreft de rug en de beiden voeten geen objectiveerbare afwijkingen. De nekklachten zijn verklaarbaar uit de röntgenologisch gevonden degeneratieve afwijkingen van de tussenwervelschijven. De röntgenologisch gevonden lichte artrose van de MTP1 gewrichten is klinisch niet relevant, omdat er bij lichamelijk onderzoek geen sprake is van een verminderde functie van de grote teengewrichten. Jolles stelt dat er geen kenmerken zijn die de diagnose fibromyalgie of seronegatieve reumatoïde artritis kunnen staven. Ten aanzien van de FML stelt Jolles aanvullende beperkingen op de aspecten 4.17 hoofdbewegingen maken en 5.7 boven schouderhoogte actief zijn. Er zijn geen redenen om een urenbeperking aan te nemen. De geduide functies zijn mogelijk, hoewel appellante wellicht een opstap nodig heeft als zij een dossier uit een kast moet halen. 4.
  7. Naar aanleiding van de rapporten van de deskundige heeft het Uwv op 3 december 2012 een nieuwe FML opgesteld waarin aanvullende beperkingen zijn opgenomen. De rechtbank heeft daaraan de conclusie verbonden dat het bestreden besluit op een onjuiste medische grondslag berust, heeft het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit zijn in stand gelaten, nu de bezwaararbeidsdeskundige de geduide functies heeft afgezet tegen de nieuwe FML en overtuigend heeft uiteengezet dat de functies passend zijn voor appellante. Het arbeidsongeschiktheidspercentage wijzigt niet. Omdat het beroep gegrond verklaard is, heeft de rechtbank het Uwv opgedragen het griffierecht en de proceskosten van appellante te vergoeden.
  8. Appellante heeft zich niet met de instandlating van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit kunnen verenigen. Ze heeft in hoger beroep aangevoerd dat er onvoldoende rekening is gehouden met haar klachten. Ze heeft rond de datum in geding psychologische hulp gekregen. Haar GAF-score was in 2012 maar 55-
  9. Er is geen rekening gehouden met het medicijngebruik. Tevens is zij altijd moe. Haar lichaam kan zich niet herstellen. Hierdoor is haar belastbaarheid minimaal. 6.
  10. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 6.
  11. Op grond van hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank zoals is weergegeven in de aangevallen uitspraak. 6.2.
  12. De rechtbank heeft terecht de door haar ingeschakelde deskundigen gevolgd. Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. De motiveringen van de deskundigen zijn overtuigend. De uitgebrachte rapporten geven blijk van zorgvuldig onderzoek en zijn inzichtelijk en consistent. Er zijn geen redenen die aanleiding geven de rapporten niet te volgen. 6.2.
  13. De Raad is voorts - met de rechtbank - van oordeel dat de beperkingen op juiste wijze zijn weergegeven in de FML van 3 december
  14. Appellante heeft aangevoerd meer beperkt te zijn, maar zij heeft deze stelling niet onderbouwd met objectieve medische gegevens. In navolging van de rechtbank en het Uwv ziet ook de Raad geen aanknopingspunten voor een verdergaande urenbeperking dan in de FML is opgenomen. 6.
  15. Uitgaande van de juistheid van de FML zijn de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht passend.
  16. Uit 6.2 tot en met 6.3 volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.
  17. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten; wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af. Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 maart
  18. (getekend) J.S. van der Kolk (getekend) D. Heeremans NW

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.