← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2014:914

12/3261 WMO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 30 mei 2012, 12/176 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeesters en wethouders van Heerlen (college) Datum uitspraak: 5 maart 2014 - 2 - PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. M.M.J.P. Penners, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari

  1. Appellante is, na bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Uland. OVERWEGINGEN 1.
  2. Appellante heeft op 18 april 2011 een aanvraag ingediend voor een voorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning in de vorm van een verhuiskostenvergoeding. Op het moment van de aanvraag woonde appellante op het adres[adres 1]. Naderhand is zij verhuisd naar het adres [adres 2]. 1.
  3. Bij besluit van 15 juli 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 december 2011 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag om een verhuiskostenvergoeding afgewezen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat voor appellante geen noodzaak bestaat om te verhuizen, omdat zij geen aantoonbare beperkingen ondervindt bij het gebruik van haar woning.
  4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het college niet heeft bestreden dat appellante een beperking heeft aan haar rechterheup waardoor appellante belemmerd wordt bij het traplopen. Daarbij is komen vast te staan dat in de woning aan de[adres 1] een traplift aanwezig was, zodat in zoverre geen medische noodzaak bestond om te verhuizen. Voorts was appellante volgens de GGD-arts in staat om de transfers in en uit de douchebak door middel van steunname te maken. Appellante heeft niet overtuigend aangetoond dat dit niet het geval was. Voor het overige is de rechtbank niet gebleken dat appellante nog andere (ergonomische) belemmeringen in haar vorige woning heeft ondervonden. Ten slotte heeft de rechtbank de psycho-sociale omstandigheden die appellante als reden voor haar verhuizing heeft aangevoerd niet dermate belastend geacht dat het college gehouden was om appellante te compenseren met een verhuiskostenvergoeding.
  5. Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat zij door haar medische klachten zodanig beperkt is dat zij recht heeft op een verhuiskostenvergoeding.
  6. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  7. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de overwegingen waarop dat oordeel berust. De Raad voegt hier het volgende aan toe. 4.
  8. De Raad ziet in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de zorgvuldigheid en juistheid van de onderhavige medische beoordeling. Hierbij acht de Raad van belang dat hetgeen appellante inzake haar beperkingen in bezwaar naar voren heeft - 3 - gebracht nogmaals door het college aan de GGD-arts is voorgelegd en dit niet heeft geleid tot een gewijzigde beoordeling. Ook in hetgeen appellante thans in hoger beroep heeft overgelegd en aangevoerd, ziet de Raad geen aanknopingspunten voor een ander oordeel. Uit het besluit waarbij appellante in het kader van de Wet werk en bijstand tijdelijk volledig wordt vrijgesteld van de in die wet opgenomen arbeidsverplichtingen, volgt niet dat zij aantoonbare beperkingen ondervond bij het gebruik van haar oude woning. 4.
  9. Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
  10. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter en M.F. Wagner en D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van J.C. Hoogendoorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 maart
  11. (getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen (getekend) J.C. Hoogendoorn RB

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.