13/3546 WWB Datum uitspraak: 11 maart 2014 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 juni 2013, 12/4737 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college) PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari
- Appellant is in persoon verschenen. Het college heeft zich, met bericht vooraf, niet laten vertegenwoordigen. OVERWEGINGEN
- De Raad gaat uit van de volgende van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
- Bij besluit van 15 april 2011 heeft het college de zogeheten bescheiden schaalregeling op appellant van toepassing verklaard. Bij besluit van 16 februari 2012 heeft het college besloten deze regeling met ingang van 16 februari 2012 niet langer op appellant van toepassing te verklaren. 1.
- Appellant heeft bij brief van 16 augustus 2012 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 16 februari
- 1.
- Bij besluit van 5 september 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 16 februari 2012 niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit berust op de grond dat appellant de bezwaartermijn heeft overschreden en dat deze termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellant niet heeft bestreden dat het bezwaar buiten de termijn is ingediend. Ingevolge artikel 6:11 van de Algemene bestuursrecht (Awb) blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener daarvan in verzuim is geweest. De rechtbank heeft geoordeeld dat, indien appellant niet begreep wat het besluit van 16 februari 2012 voor hem betekende, hij daar bij het college navraag naar had kunnen doen.
- Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken grond tegen deze uitspraak gekeerd.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Tussen partijen is uitsluitend in geschil de vraag of de overschrijding van de bezwaartermijn ingevolge artikel 6:11 van de Awb verschoonbaar is. 4.
- De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen en maakt deze tot de zijne. 4.
- Gelet op 4.1 kan wat appellant heeft aangevoerd, dat hij zich een ‘dubbele melkkoe’ voelt omdat hij met behoud van uitkering werkt, dat feitelijk als regulier werk moet worden beschouwd, terwijl hij daarnaast nadelige gevolgen ondervindt van deze maatregel omdat hij naarmate hij meer omzet/opbrengst behaalt met zijn boekhoudwerk hij meer kosten maakt om deze inkomsten te genereren, niet tot een ander oordeel leiden. 4.
- Uit 4.1 tot en met 4.3 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
- Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart
- (getekend) J.P.M. Zeijen (getekend) S.K. Dekker ew