← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2014:955

12/4995 WWB Datum uitspraak: 25 maart 2014 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 juli 2012, 12/736 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. B.A.M. Hampsink, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaak 13/3145 WWB plaatsgehad op 11 februari

  1. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. van Golberdinge. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst. OVERWEGINGEN 1.De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
  2. Appellant ontvangt vanaf 29 september 2010, in aanvulling op zijn inkomsten uit arbeid, bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 2 december 2010 heeft het college de bijstand van appellant eenmalig met € 200,- verlaagd op de grond dat hij, door ontslag te nemen bij zijn vorige werkgever, ernstig tekort is geschoten in zijn verplichting om algemeen geaccepteerde arbeid te behouden. 1.
  3. Appellant heeft in een aan Werkplein Centrum/Oost gerichte brief van 23 september 2011 kenbaar gemaakt zijn (schoonmaak)baan waaruit hij inkomsten ontving te hebben opgezegd. Hij schrijft hierover: “Nadien ben ik tot mezelf gekomen dat dit werk niet bij me past. Het is niet de baan die ik zoek en fysiek past het niet bij mijn leeftijd.” 1.
  4. Bij besluit van 4 oktober 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 6 januari 2012 (bestreden besluit 1), heeft het college de bijstand over november 2011 met 100% verlaagd. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant door eigen toedoen zijn werk heeft verloren, waarmee hij ernstig tekort is geschoten in zijn verplichting om algemeen geaccepteerde arbeid te behouden, en hij eerder ook niet had voldaan aan deze verplichting, wat heeft geresulteerd in het in 1.1 vermelde besluit van 2 december
  5. 1.
  6. Hangende het door appellant tegen het bestreden besluit 1 ingestelde beroep heeft het college bij besluit van 21 juni 2012 (bestreden besluit 2) het bestreden besluit 1 herzien, in die zin dat de bijstand over de maand november 2011 wordt verlaagd met € 400,-. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat het niet behouden van arbeid op zichzelf leidt tot een verlaging van € 200,- en dat daar € 200,- bij komt, omdat appellant binnen een jaar wederom ernstig tekort is geschoten in zijn verplichting om zelf te voorzien in de kosten van het bestaan.
  7. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond.
  8. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden gekeerd tegen de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond is verklaard.
  9. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  10. Appellant bestrijdt in de eerste plaats dat het gedrag dat tot de opgelegde maatregel aanleiding heeft gegeven hem kan worden verweten. In het bijzonder voert appellant, evenals in beroep, aan dat hij niet verwijtbaar werkloos is geworden, omdat hij door de volgende omstandigheden niet in staat was nog langer bij het schoonmaakbedrijf in kwestie te blijven werken. Hij is als ICT-er niet gewend om intensief schoonmaakwerk te verrichten. Hij voelde zich gedwongen om te stoppen met het schoonmaakwerk, omdat hij last kreeg van rugpijn en gewrichtspijnen. Bovendien heeft hij in die tijd een lastige periode doorgemaakt door de ziekte van zijn zoon. 4.
  11. Deze beroepsgrond slaagt niet, reeds omdat appellant ook in hoger beroep niet aan de hand van verifieerbare gegevens aannemelijk heeft gemerkt dat hij om medische en/of andere redenen genoodzaakt was om zijn (schoonmaak)baan op te zeggen. Uit de in 1.2 geciteerde passage uit zijn brief van 23 september 2011 blijkt die noodzaak in ieder geval niet. 4.
  12. In de tweede plaats heeft appellant aangevoerd dat hij door de opgelegde maatregel onevenredig zwaar is getroffen. Hij wijst er in dit verband op dat de Dienst Werk in Inkomen van de gemeente Amsterdam moeilijk blijft doen met het uitbetalen van de bijstand, dat appellant één en ander steeds recht probeert te zetten door procedures te voeren en dat hij hierdoor in de financiële problemen is gekomen. 4.
  13. De Raad begrijpt deze beroepsgrond aldus dat appellant zich op het standpunt stelt dat het college de opgelegde maatregel met toepassing van artikel 5, eerste lid, van de Afstemmingsverordening Inkomensvoorzieningen van de gemeente Amsterdam had moeten matigen vanwege de financiële problemen die appellant heeft. Ingevolge deze bepaling kan het college de verlaging lager vaststellen als de belanghebbende door het bedrag van de verlaging onredelijk zwaar wordt getroffen. 4.
  14. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de opgelegde maatregel hem onredelijk zwaar treft, reeds omdat hij zijn gestelde financiële problemen niet met enig concreet en verifieerbaar gegeven heeft onderbouwd. Bovendien houden de gestelde financiële problemen verband met het voeren van procedures over de uitbetaling van de bijstand en niet met de opgelegde maatregel. 4.
  15. Uit 4.2 en 4.5 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.
  16. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten. Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en W.F. Claessens en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van C.E.M. van Paddenburgh als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 maart
  17. (getekend) O.L.H.W.I. Korte (getekend) C.E.M. van Paddenburgh IJ

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.