← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2015:1686

14/810 WW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 24 december 2013, 13/1205 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. H. Zahi, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april

  1. Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.I. Damsma. OVERWEGINGEN
  2. Bij besluit van 26 november 2012 heeft het Uwv de aan appellant toegekende uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) bij wijze van maatregel met ingang van 26 november 2012 verlaagd met 25% gedurende vier maanden op de grond dat hij in onvoldoende mate heeft gesolliciteerd. Bij besluit van 5 februari 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 november 2012 ongegrond verklaard.
  3. Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel niet kan slagen. Hoewel niet valt uit te sluiten dat appellant tijdens het telefoongesprek met het Uwv meende te hebben gehoord dat hij was vrijgesteld voor de sollicitatieplicht, heeft de rechtbank het niet aannemelijk geacht dat de medewerker van het Uwv het op deze manier heeft gezegd. 3.
  4. Appellant heeft in hoger beroep zijn stelling herhaald dat hij niet verwijtbaar heeft gehandeld. Appellant is van mening dat de maatregel gezien de omstandigheden verlaagd had moeten worden. Appellant heeft aangevoerd dat hem niet de mogelijkheid is geboden om alsnog sollicitaties in te dienen. 3.
  5. In reactie hierop heeft het Uwv aangevoerd dat er gezien de omstandigheden geen reden is om de maatregel te verlagen wegens het ontbreken van verwijtbaarheid.
  6. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  7. Voor de relevante wet- en regelgeving wordt verwezen naar overwegingen 3 tot en met 6 van de aangevallen uitspraak. Uit de artikelen 6, eerste lid, aanhef en onder a, en 2, eerste lid, aanhef en onder c, van het Maatregelenbesluit volgt dat bij het overtreden van de sollicitatieplicht een maatregel wordt opgelegd van 25%, met een mogelijkheid tot afwijking tot ten minste 15% of ten hoogste 100% van het uitkeringsbedrag, gedurende ten minste vier maanden. 4.
  8. Niet in geschil is dat appellant in de door het Uwv beoordeelde periode van 1 augustus 2012 tot 1 oktober 2012 geen sollicitatieactiviteiten heeft verricht. Daarmee staat vast dat appellant in die periode in onvoldoende mate heeft getracht passende arbeid te verkrijgen. Het achteraf verrichten van sollicitaties kan het tekort in de betreffende periode niet aanvullen. Het Uwv was dan ook in beginsel gehouden om een maatregel op te leggen. 4.
  9. De hoogte en de duur van de maatregel zijn in overeenstemming met de in 4.1 genoemde regelgeving. Appellant heeft in hoger beroep volstaan met de stelling dat de maatregel gelet op de omstandigheden verlaagd had moeten worden. De rechtbank heeft de omstandigheden waar appellant op doelt afdoende besproken en heeft overtuigend gemotiveerd dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van een vrijstelling van de sollicitatieplicht. Afgezien van de eigen - ter zitting herhaalde - verklaring van appellant dat het Uwv hem die vrijstelling had verstrekt, bevatten de stukken geen begin van een feitelijke onderbouwing voor de juistheid van die stelling. Van verminderde verwijtbaarheid, die het Uwv aanleiding had moeten geven voor het opleggen van een lagere maatregel, is dan ook geen sprake. 4.
  10. Uit 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
  11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van J.C. Hoogendoorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 mei
  12. (getekend) G.A.J. van den Hurk (getekend) J.C. Hoogendoorn HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.