← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2015:1977

14/680 WAO Datum uitspraak: 19 juni 2015 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 december 2013, 13/2332 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats], Turkije (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. N. Türkkol, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Vervolgens heeft het Uwv nog enige stukken in het geding gebracht. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei

  1. Namens appellant is verschenen mr. Türkkol. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer. OVERWEGINGEN 1.1.Bij besluit van 28 november 2012 heeft het Uwv de aan appellant toegekende uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering met ingang van 17 februari 2013 herzien en nader vastgesteld naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. 1.
  2. Bij brief van 4 februari 2013 is namens appellant bezwaar gemaakt tegen het besluit van 28 november
  3. Daarbij is aangevoerd dat het besluit niet op een rechtsgeldige wijze is bekend gemaakt. 1.
  4. Het Uwv heeft het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard bij beslissing op bezwaar van 28 maart 2013 (bestreden besluit). Daartoe is - onder meer - overwogen dat niet overtuigend is aangetoond dat het besluit van 28 november 2012 later is ontvangen door appellant.
  5. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat artikel 33 van het Administratief Akkoord (AA) bij het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije (Verdrag) niet van toepassing is op zaken betreffende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen.
  6. Namens appellant is in hoger beroep wederom aangevoerd dat het besluit van 28 november 2012 niet conform het bepaalde in artikel 33 van het AA is bekend gemaakt en dat het bezwaar daarom niet te laat is gemaakt.
  7. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  8. Tussen partijen is in geschil of de rechtbank terecht het standpunt van het Uwv over de ontvankelijkheid van het namens appellant gemaakte bezwaar tegen het besluit van 28 november 2012 heeft onderschreven. Zoals ter zitting namens appellant nader toegelicht is daarbij uitsluitend nog in geschil of artikel 33 van het AA van toepassing is op de bekendmaking van besluiten over arbeidsongeschiktheid, als het onderhavige van 28 november
  9. 4.
  10. In artikel 33 van het AA is - kort samengevat - bepaald dat beslissingen, met betrekking tot uitkeringen die zijn berekend met toepassing van artikel 23 van het Verdrag, door het behandelend orgaan van de woonplaats van een aanvrager ter kennis worden gebracht aan de aanvrager. Artikel 23 van het Verdrag heeft betrekking op de berekening van uitkeringen in verband met ouderdom en overlijden. Zoals al eerder is overwogen in de uitspraak van 23 juni 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BM9188) is dit artikel niet van - overeenkomstige - toepassing op de berekening van uitkeringen in verband met invaliditeit als in dit geding aan de orde. Over de berekening van uitkeringen bij invaliditeit zijn in het Verdrag en het AA geen specifieke bepalingen opgenomen. Daartoe bestond ook geen aanleiding, omdat in artikel 18 van het Verdrag is bepaald dat die uitkeringen worden berekend ingevolge de wettelijke regeling waaraan de betrokkene ten tijde van het intreden van de invaliditeit was onderworpen. 4.
  11. Dit betekent dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat artikel 33 van het AA niet van toepassing was op de kennisgeving van het besluit van 28 november
  12. 4.
  13. Uit hetgeen hiervoor onder 4.2 tot en met 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
  14. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juni
  15. (getekend) T.L. de Vries (getekend) D. van Wijk CVG

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.