13/5108 ANW Datum uitspraak: 24 juni 2015 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 11 januari 2013, 12/528 Partijen: [verzoekster] te [woonplaats], Marokko (verzoekster) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) PROCESVERLOOP Verzoekster heeft bij brief, ontvangen door de Raad op 26 februari 2013, verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 11 januari 2013, 12/
- De Svb heeft geen reactie op dit verzoek om herziening ingezonden. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei
- Verzoekster is daarbij niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. O.F.M. Vonk. OVERWEGINGEN
- Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een onherroepelijk geworden uitspraak op verzoek van een partij worden herzien op grond van feiten en omstandigheden die: a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak, b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
- Bij zijn uitspraak van 11 januari 2013 heeft de Raad het verzet van verzoekster tegen de uitspraak van de Raad van 4 mei 2012 ongegrond verklaard. De Raad heeft daartoe geoordeeld dat het hoger beroep van verzoekster tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 december 2011, 11/3209, terecht niet-ontvankelijk is verklaard, omdat het verschuldigde griffierecht niet is betaald.
- Verzoekster heeft gevraagd haar recht op nabestaandenuitkering opnieuw te beoordelen.
- Het is vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 11 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1218) dat het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet is gegeven om een hernieuwde discussie over een zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen. Het verzoek om herziening dient te worden afgewezen, nu niet is gebleken dat verzoekster enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid, zoals bedoeld in artikel 8:119 van de Awb, naar voren heeft gebracht. Het verzoek om herziening bevat immers geen gronden die betrekking hebben op de reden waarom het verzet bij de uitspraak van 11 januari 2013 ongegrond is verklaard.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af. Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van als griffier H.J. Dekker. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juni
- (getekend) M.M. van der Kade (getekend) H.J. Dekker HD DÉCISION La Centrale Raad van Beroep (Cour d'Appel Centrale), statue: Rejète la demande de révison Par conséquent, décidée par M.M. van der Kade en présence de H.J. Dekker en qualité de greffier, ainsi que prononcée en public, le 24 juin 2015.