14/1730 WWB Datum uitspraak: 28 juli 2015 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 17 februari 2014, 13/3079 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. W.G.P. Berkers, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Berkers. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J. Rijkers. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Appellant ontving in de maanden november en december 2010 als beëindigend zelfstandige een uitkering op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen. Sinds 1 januari 2011 ontving appellant bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. 1.2. Naar aanleiding van een signaal over mogelijke fraude, hebben een rapporteur van het Team Bijzonder Onderzoek van de Sector Werk van de gemeente Eindhoven en de casemanager van appellant een onderzoek ingesteld naar de financiële situatie van appellant. In dat kader hebben zij onder meer afschriften van zijn bankrekeningen onderzocht en op 12 september 2013 een spreekkamergesprek met appellant gevoerd. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een Rapport Ondersteuning van 21 september 2012. 1.3. De onderzoeksbevindingen zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 21 september 2012 de bijstand met ingang van 1 januari 2011 te herzien met een bedrag van € 350,- dat appellant maandelijks van zijn moeder ontvangt. Omdat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door deze inkomsten niet op te geven, heeft het college de bijstand over de maand oktober 2011 met 100% verlaagd. 1.4. Bij besluit van 3 april 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 21 september 2012 gegrond verklaard voor zover het de opgelegde maatregel betreft en ongegrond voor zover het de herziening van de bijstand over de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 augustus 2012 betreft. Aan appellant wordt niet langer schending van de inlichtingenverplichting tegengeworpen, omdat hij destijds in het kader van zijn aanvraag om bijstand bankafschriften heeft overgelegd waarop reeds bijschrijvingen van zijn moeder stonden vermeld. Aan de herziening van de bijstand wordt thans artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB ten grondslag gelegd. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. 3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft hij, samengevat, het volgende aangevoerd. De bijschrijvingen van zijn moeder op zijn bankrekening waren giften om een boete af te lossen en om financiële verplichtingen, verbonden aan zijn (beëindigde) zelfstandige onderneming, te kunnen voldoen. Deze giften waren uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord. De herziening van de bijstand met terugwerkende kracht komt in strijd met het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel. Appellant heeft alle gevraagde informatie verstrekt en hem werd pas in september 2012 duidelijk gemaakt wat het standpunt van het college ten aanzien van de bijdrage van zijn ouders was. De zorgvuldigheid, de diepgang en de onafhankelijkheid van de besluitvorming zijn niet gebaat bij het in bezwaar horen van appellant door ambtenaren en niet door een onafhankelijke bezwaarcommissie. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de WWB worden tot de middelen gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover een betrokkene beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder m, van de WWB worden giften niet tot de middelen gerekend voor zover deze naar het oordeel van het college uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn. 4.2. Ingevolge artikel 32, eerste lid, van de WWB wordt onder inkomen verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking genomen middelen voor zover deze (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.