14/1095 WAO Datum uitspraak: 11 september 2015 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 16 januari 2014, 13/3279 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft nadere stukken ingezonden. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 juli
- Appellant is verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. P.J. Reith. OVERWEGINGEN 1.
- Appellant is in 1993 wegens diverse klachten, onder meer psychische klachten, rugproblemen en bloeddrukproblemen, uitgevallen voor zijn werk als machinebediende. In verband hiermee is hij met ingang van 26 oktober 1994 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. 1.
- In augustus 2005 is hij met een indicatie op grond van de Wet sociale werkvoorziening als productiebegeleider in dienst getreden bij werkgever [naam werkgever] . Na het wegvallen van die functie is appellant op detacheringsbasis gaan werken als boekhouder in een omvang van 36 uur per week. Deze werkzaamheden heeft appellant op 28 september 2010 gestaakt wegens concentratieproblemen en moeheidsklachten. 1.
- Bij besluit van 14 november 2012 heeft het Uwv, in lijn met de uitkomsten van verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, de WAO-uitkering van appellant met ingang van 26 september 2012 ongewijzigd vastgesteld op een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. 1.
- Bij besluit van 25 april 2013 (bestreden besluit), heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 14 november 2012 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. 2.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. 2.
- De rechtbank heeft geen redenen gezien te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het onderzoek door de verzekeringsartsen of aan de conclusies waartoe deze artsen zijn gekomen met betrekking tot de belastbaarheid van appellant op de datum in geding. 2.
- De rechtbank heeft overwogen appellant niet te kunnen volgen in diens standpunt dat hij als gevolg van de klachten die hij ondervindt van het Chronisch Vermoeidheidssyndroom (CVS) zwaarder beperkt is dan door de verzekeringsartsen van het Uwv is aangenomen, in het bijzonder dat een urenbeperking in aanmerking had moeten worden genomen. De rechtbank heeft, daarbij gelet op door verzekeringsarts bezwaar en beroep M.P.W. Kreté geleverd commentaar, overwogen dat appellant, ook met de door hem ingebrachte informatie van een acupuncturist, een fysiotherapeut, een psycholoog, een internist, een bedrijfsarts en een gespreksverslag van werkgever [naam werkgever] , niet erin geslaagd is het eigen standpunt dat een urenbeperking is aangewezen aan de hand van toereikende objectief-medische gegevens te onderbouwen. 2.
- Ook heeft de rechtbank zich kunnen verenigen met de aan de schatting als voor appellant passende arbeidsmogelijkheden ten grondslag gelegde functies.
- Appellant heeft in hoger beroep de eigen opvatting staande gehouden dat voor hem in verband met zijn aandoening CVS een urenbeperking in aanmerking had moeten worden genomen. Appellant wijst erop dat CVS een ook door de World Health Organization erkende ziekte is. Appellant meent dat dit door de verzekeringsartsen van het Uwv ten onrechte is miskend.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de verzekeringsartsen van het Uwv een voldoende diepgaand en ook anderszins een voldoende zorgvuldig onderzoek hebben ingesteld naar de gezondheidsklachten van appellant. Niet is gebleken dat de verzekeringsartsen bij het beoordelen van de voor appellant van toepassing te achten beperkingen de vermoeidheidsklachten die hij ondervindt als gevolg van CVS niet hebben meegenomen. De gemachtigde van het Uwv heeft desgevraagd ter zitting opgemerkt - en de Raad acht dit juist - dat de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende verzekeringsgeneeskundige rapporten geen aanknopingspunten bevatten voor het oordeel dat CVS in het geval van appellant niet als relevante diagnose is erkend, maar tevens dat die artsen - ook niet in de aandoening CVS - geen aanleiding hebben gevonden om meer beperkingen voor appellant van toepassing te achten dan in de Functionele Mogelijkhedenlijst van 8 oktober 2012 is vastgelegd. Met name is geen aanleiding gezien voor een urenbeperking. 4.
- De Raad onderschrijft met de rechtbank - en met overneming van de daartoe door de rechtbank gebezigde overwegingen - evenvermelde conclusies van de verzekeringsartsen. De Raad stelt vast dat appellant ook in hoger beroep niet erin is geslaagd het eigen standpunt aan de hand van toereikende medische gegevens te onderbouwen. De enkele verwijzing naar de diagnose CVS volstaat daartoe niet. De Raad kan zich vinden in de reactie van verzekeringsarts bezwaar en beroep Kreté, als neergelegd in het bij het verweerschrift gevoegde rapport van die arts van 7 mei 2014, erop neerkomend dat het medische feitencomplex dat appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht niet anders is dan wat reeds eerder door hem was aangevoerd en daarom geen reden geeft tot wijziging van het ingenomen standpunt. 4.
- Ten slotte verenigt de Raad zich ook met het oordeel van de rechtbank dat appellant op de datum in geding terecht in staat is geacht tot het vervullen van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies.
- Voor een veroordeling in de proceskosten van appellant bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en R.E. Bakker en G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van M. Crum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 september
- (getekend) J.W. Schuttel (getekend) M. Crum AP