14/4648 AW Datum uitspraak: 8 oktober 2015 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 juli 2014, 13/5327 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college) PROCESVERLOOP Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet van 7 februari 2013 tot wijziging van de Gemeentewet en enige andere wetten in verband met het afschaffen van de bevoegdheid van gemeentebesturen om deelgemeenten in te stellen (Stb 2013,76) is het college in de plaats getreden van het dagelijks bestuur van het Stadsdeel Zuidoost (dagelijks bestuur), ten name van wie het geding aanvankelijk is gevoerd. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van college, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan het dagelijks bestuur. Namens appellant heeft mr. I. Rhodes, advocaat, hoger beroep ingesteld. Namens het college heeft mr. H.A.E. van Soest, advocaat, een verweerschrift ingediend. Appellant heeft nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Rhodes. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.M. Wijmans en E. van den Brink. Als deskundige is gehoord drs. I. Özkan (O), arts, wonende te Zaandam. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant is vanaf 1 januari 1995 in dienst geweest van de gemeente Amsterdam. Sedert 1 april 2012 is hij werkzaam in de functie Medewerker Handhaving C op de afdeling Handhaving A van het voormalig stadsdeel Zuidoost. 1.2. Bij besluit van 18 oktober 2012, waartegen appellant geen bezwaar heeft gemaakt, heeft het college appellant de disciplinaire maatregel van een schriftelijke berisping opgelegd. Het college heeft appellant verweten dat hij: op 5 april 2012 te laat op de cursus Leertafel is verschenen zonder zijn leidinggevende hierover te informeren; op 12 april 2012 niet op de cursus Leertafel is verschenen zonder zijn leidinggevende daarover te informeren; op 12 april 2012 zonder toestemming van zijn leidinggevende niet op zijn werk is verschenen; op 16 april 2012 zonder overleg met zijn leidinggevende de opleiding LHOR heeft afgezegd; vanaf april 2012 meerdere malen onder werktijd in de dienstauto in slaap is gevallen; niet bij zijn leidinggevende heeft gemeld dat hij zijn handboeien, uniformjas en de startbutton van de dienstvoertuigen is kwijtgeraakt en geruime tijd zijn taken zonder complete uitrusting heeft uitgeoefend. 1.3. Nadat het college zijn voornemen daartoe bekend had gemaakt en appellant zijn zienswijze naar voren had gebracht heeft het college bij besluit van 18 maart 2013, voor zover van belang, appellant wegens plichtsverzuim met ingang van 1 april 2013 de disciplinaire maatregel van ontslag opgelegd. 1.4.1. Bij besluit van 12 augustus 2013 (bestreden besluit), aangevuld op 2 oktober 2013, voor zover van belang, heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 18 maart 2013 ongegrond verklaard. Bij het bestreden besluit heeft het college appellant verweten dat hij: op 21 oktober 2012 zonder bericht niet op het werk is verschenen; op 16 oktober en 15 november 2012 tijdens werktijd niet bereikbaar was op de zakelijke GSM-telefoon; op 12 december 2012 met een dienstvoertuig naar zijn woning, althans naar een parkeerterrein in de onmiddellijke nabijheid van zijn woning, is gereden zonder daarvoor een deugdelijke verklaring te geven; hij een leugenachtige verklaring heeft afgelegd voor een gedeelte van de reisbewegingen met een dienstvoertuig op 12 december 2012. 1.4.2. Het college heeft daarbij in het kader van de beoordeling of de opgelegde disciplinaire maatregel van ontslag evenredig is aan de aard en de ernst van het plichtverzuim, meegewogen dat sprake is van doorgaand gedrag van appellant, dat hij er herhaaldelijk op is gewezen dat zijn gedrag onacceptabel was en daar ook eerder voor is bestraft. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. 3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft bestreden dat hij leugenachtige verklaringen heeft afgelegd over zijn reisbewegingen met een dienstvoertuig op 12 december 2012. Verder heeft appellant aangevoerd dat het ontslag niet evenredig is aan de aard en de ernst van plichtsverzuim. Het college had bij de beoordeling van de ernst van het plichtverzuim rekening moeten houden met het feit dat appellant in 2012 een slaapstoornis had en aan een depressie leed en dat hij onder invloed daarvan het in 1.2 en 1.4.1 genoemde gedrag heeft vertoond. Voorts had het college er rekening mee moeten houden dat appellant voor zijn overplaatsing naar Stadsdeel Zuidoost een onbesproken staat van dienst had. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. De Raad stelt ambtshalve vast dat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ten onrechte niet het college, maar de bestuurscommissie Zuidoost van de gemeente Amsterdam als partij heeft aangemerkt. De Raad heeft dit gebrek hersteld. 4.2. Appellant heeft niet bestreden dat hij de onder 1.4.1 onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.