14/2317 WWB Datum uitspraak: 13 oktober 2015 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 12 maart 2014, 13/8675 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk (college) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. A.B.B. Beelaard, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Beelaard. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Drazenovic. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Appellant ontvangt sinds 3 augustus 2011 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. 1.2. Naar aanleiding van het vermoeden dat appellante een gezamenlijke huishouding voert met [naam S] (S) op haar adres [adres A] te [woonplaats], heeft de sociale recherche een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellante. In dat verband zijn onder meer door appellante overgelegde bankafschriften bezien en is informatie opgevraagd bij woningbouwvereniging Vidomes. Appellante is op 23 januari 2013 en op 14 februari 2013 gehoord. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 18 februari 2013. 1.3. De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 22 februari 2013 de bijstand van appellante met ingang van 3 augustus 2011 in te trekken. Bij besluit van 27 februari 2013 heeft het college de over de periode van 3 augustus 2011 tot en met 31 januari 2013 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 23.616,47 van appellante teruggevorderd. 1.4. Bij besluit van 17 september 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 22 februari 2013 en het bezwaar tegen het besluit van 27 februari 2013 deels gegrond verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellante, in verband met beschikbare middelen in de vorm van kasstortingen en bijschrijvingen op haar rekening en door S voor appellante verrichte huurbetalingen, over de maanden augustus 2011, september 2011, november 2011 tot en met maart 2012, mei 2012 en juli 2012 tot en met oktober 2012 een bedrag van € 6.662,75 (bruto) te veel aan bijstand heeft ontvangen. De bijstand over deze maanden wordt herzien, in die zin dat deze middelen in de desbetreffende maanden als inkomsten in aanmerking worden genomen. Omdat de inkomsten in de maand september 2011 hoger zijn dan de bijstand die appellante in die maand heeft ontvangen, heeft appellante in die maand geen recht op (aanvullende) bijstand. De bijstand over die maand wordt dan ook ingetrokken. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. 3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij betwist dat de door S in de maanden maart 2012, mei 2012 en juli 2012 rechtstreeks aan woningbouwvereniging Vidomes gedane huurbetalingen van onderscheidenlijk € 476,77, € 476,77 en € 487,43 als middelen en - in het verlengde daarvan - als inkomsten in aanmerking moeten worden genomen. Appellante voert aan dat zij feitelijk niet over de desbetreffende bedragen kon beschikken en dat zij evenmin aanspraak had jegens S op deze bedragen. Voorts voert zij aan dat de huurbetalingen geen periodiek en structureel karakter hadden en dat S deze incidenteel heeft gedaan om een dreigende huisuitzetting van appellante te voorkomen. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Artikel 11, eerste lid, van de WWB bepaalt dat iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand van overheidswege. 4.2. Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de WWB stemt het college de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, de mogelijkheden en de middelen van de belanghebbende. 4.3. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WWB, voor zover hier van belang, heeft een alleenstaande recht op algemene bijstand indien het in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de bijstandsnorm en er geen in aanmerking te nemen vermogen is. Ingevolge het tweede lid van dit artikel is de hoogte van de algemene bijstand het verschil tussen het inkomen en de bijstandsnorm. 4.4. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de WWB worden tot de middelen gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Volgens het tweede lid van dit artikel worden bepaalde, daar genoemde, inkomens- en vermogensbestanddelen niet tot de middelen gerekend. 4.5. Ingevolge artikel 32, eerste lid, van de WWB, zoals dat ten tijde van belang luidde, wordt, verkort weergegeven, onder inkomen verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking genomen middelen voor zover deze (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.