14/703 WWB Datum uitspraak: 27 oktober 2015 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 11 december 2013, 12/1662 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] en [Appellante] te Turkije (appellanten) het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (college) PROCESVERLOOP Namens appellanten heeft mr. A.A. Bouwman, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2015. Appellant, daartoe ambtshalve opgeroepen, is verschenen, bijgestaan door mr. Bouwman. Het college, daartoe eveneens ambtshalve opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.P. Homan. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Appellanten hebben zich op 18 mei 2011 gemeld bij het UWV Werkbedrijf Zaanstreek om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) aan te vragen, in aanvulling op de ziektewetuitkering van appellante. Bij hun aanvraag hebben zij gemeld dat appellant een kledingreparatiebedrijf had, maar dat hij dit heeft moeten beëindigen omdat de Belastingdienst beslag heeft gelegd op de inboedel van het bedrijf. 1.2. Bij besluit van 25 augustus 2011 heeft het college de aanvraag buiten behandeling gesteld. 1.3. Bij besluit van 23 oktober 2012 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellanten tegen het besluit van 25 augustus 2011 gegrond verklaard, het besluit van 25 augustus 2011 herroepen en de aanvraag om bijstand alsnog afgewezen. Aan dit besluit heeft het college - onder meer - ten grondslag gelegd dat appellanten onvoldoende duidelijkheid hebben verschaft over de herkomst van het contante geld waarmee zij de huur over de maanden mei 2011 tot en met augustus 2011 en een waarborgsom van in totaal € 5.074,19 hebben betaald. Zo al sprake zou zijn geweest van betalingen van diverse personen aan appellanten, dan dienen deze betalingen als inkomsten te worden aangemerkt, waarmee hij in het levensonderhoud van hemzelf en zijn gezin heeft kunnen voorzien. 1.4. Het college heeft appellanten bij besluit van 14 februari 2012 met ingang van 3 oktober 2011 bijstand toegekend naar de norm voor gehuwden. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellanten onvoldoende inzicht hebben verschaft in hun financiële situatie waardoor niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, appellanten in bijstandbehoevende omstandigheden verkeren. 3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. In een geval waarin het bijstandverlenend orgaan een aanvraag om bijstand met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht buiten behandeling heeft gesteld en na bezwaar bij de beslissing op bezwaar alsnog inhoudelijk op die aanvraag heeft beslist, vangt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel aan op de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen. Die periode eindigt op de datum van de beslissing op bezwaar of - zo het bijstandverlenend orgaan de betrokkene met ingang van een eerdere datum bijstand heeft verleend - tot aan die eerdere datum. Het voorgaande betekent dat in dit geval de te beoordelen periode loopt van 18 mei 2011 tot en met 2 oktober 2011. 4.2. Bij aanvragen om bijstand rust de bewijslast van de bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. De aanvrager dient duidelijkheid te verschaffen over zijn woon-, leef- en inkomenssituatie, zo nodig ook over de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag. 4.3. Appellanten hebben gesteld dat zij (contant) geld hebben geleend om - voorafgaand aan de aanvraag en hangende de aanvraagprocedure - hun huur te kunnen voldoen en in de overige kosten van levensonderhoud te voorzien. Ter onderbouwing van deze stelling hebben zij drie ongedateerde schriftelijke verklaringen van [K], [A], en [B] overgelegd, inhoudende dat zij appellanten op 3 april 2011, 2 mei 2011 en 5 september 2011 bedragen van onderscheidenlijk € 1.500,-, € 2.500,- en € 1.750,- hebben geleend. Voorts hebben appellanten verklaard in juli/augustus 2011 een bedrag van € 3.000,- van een broer van appellant te hebben geleend. Zoals namens het college toegelicht ter zitting neemt het college thans aan dat, anders dan het bestreden besluit primair vermeldt, deze bedragen daadwerkelijk door de genoemde personen aan appellanten ter hand zijn gesteld, dat er geen andere geldbronnen waren, dat de ontvangen bedragen als inkomsten moeten worden aangemerkt en dat het recht op bijstand - zij het op nihil - is vast te stellen. Het college stelt zich op het standpunt dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij de bedragen van genoemde personen als lening hebben verkregen. 4.4. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de WWB, voor zover hier van belang, worden tot de middelen gerekend alle inkomens- en vermogensbestanddelen waarover de alleenstaande beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Volgens artikel 32, eerste lid, van de WWB wordt onder inkomen verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking genomen middelen voor zover deze (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.