Centrale Raad van Beroep Voorzieningenrechter Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening Partijen: [Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker) het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college) PROCESVERLOOP Namens verzoeker heeft mr. M.G.J. Smit, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 juli 2015, 14/8616 (aangevallen uitspraak). Tevens heeft mr. Smit namens verzoeker een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan. OVERWEGINGEN 1.
- De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
- Verzoeker heeft op 26 mei 2014 een aanvraag om bijzondere bijstand op grond van de Wet werk en bijstand ingediend voor de eigen bijdrage in de kosten van rechtsbijstand en griffierecht tot een bedrag € 805,-. Ter onderbouwing van zijn aanvraag heeft verzoeker zeven aan hem gerichte facturen, gedateerd 1 mei 2014, van zijn advocaat overgelegd. 1.
- Het college heeft de aanvraag bij besluit van 5 november 2014 afgewezen op de grond dat door het ontbreken van informatie over het inkomen en vermogen van verzoeker voorafgaande aan zijn aanvraag het recht op bijzondere bijstand niet kan worden vastgesteld. 1.
- Bij besluit van 10 november 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 5 november 2014 afgewezen.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
- Verzoeker heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan. Het verzoek strekt ertoe dat aan verzoeker alsnog de gevraagde kosten voor bijzondere bijstand wordt toegekend.
- De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Op grond van de artikelen 8:104, eerste lid, en artikel 8:108, eerste lid, in verbinding met artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 4.
- Verzoeker heeft ter onderbouwing van het door hem gestelde spoedeisende belang gewezen op de diverse schulden die hij heeft bij onder meer de verhuurder van zijn woning, zijn ziektekostenverzekeraar, de gemeente Rotterdam en op diverse nog uitstaande boetes. 4.
- De voorzieningenrechter wijst allereerst op vaste rechtspraak (uitspraak van 2 december 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AO0764), waaruit volgt dat de mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om een voorlopige voorziening te doen niet is bedoeld om door middel van zogenoemde ”kortsluiting” de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen. 4.
- De aard van een verzoek om een voorlopige voorziening verondersteld een actueel spoedeisend belang. 4.
- Wat verzoeker heeft aangevoerd levert geen grond op voor het oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang. De door verzoeker gestelde financiële noodsituatie kan niet worden beëindigd of wezenlijk worden verminderd door het alsnog toekennen van de door hem gevraagde kosten van bijzondere bijstand. 4.
- Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een ander zwaarwegend belang, als gevolg waarvan de behandeling van de hoofdzaak niet kan worden afgewacht. 4.
- Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat niet wordt voldaan aan de in artikel 8:81 van de Awb gestelde voorwaarden, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is. Het verzoek wordt daarom met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb afgewezen.
- Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van| R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op *.