← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2015:380

13/5347 ZVW en 13/5350 ZVW Datum uitspraak: 21 januari 2015 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 augustus 2013, 13/50 en 13/52 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (Frankrijk) (appellant) Zorginstituut Nederland (Zorginstituut) als rechtsopvolger van het College voor zorgverzekeringen (Cvz) PROCESVERLOOP Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Wet cliëntenrechten zorg en andere wetten in verband met de taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van de zorg (Stb. 2013, 578) zijn de bevoegdheden van Cvz per 1 april 2014 overgegaan naar het Zorginstituut. In deze uitspraak wordt onder het Zorginstituut mede verstaan Cvz. Appellant heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Zorginstituut heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november

  1. Appellant is verschenen. Het Zorginstituut heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.E. Berghout. OVERWEGINGEN
  2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellant die zien op besluiten waarbij de buitenlandbijdragen op grond van artikel 69 van de Zorgverzekeringswet (Zvw) voor het jaar 2010 definitief is vastgesteld en voor het jaar 2011 voorlopig is vastgesteld, ongegrond verklaard. 2.
  3. Appellant heeft in hoger beroep - kort samengevat - betoogd dat de systematiek van de vaststelling van de buitenlandbijdrage ondeugdelijk is en leidt tot discriminatie. Naar de stelling van appellant is sprake van principiële en structurele fouten in de berekeningswijze van de buitenlandbijdragen. Daarnaast heeft appellant gesteld dat er sprake is van een aantal onderliggende fraudes en heeft hij een aanklacht van zestien punten geformuleerd. 2.
  4. Appellant heeft zich er voorts over beklaagd dat de rechtbank niet al zijn beroepsgronden heeft besproken. 3.
  5. Hetgeen appellant naar voren heeft gebracht omtrent de systematiek van de buitenlandbijdragen zoals deze naar zijn opvatting zou dienen te luiden en de bestaande onderliggende en verzwegen fraudes bij kort samengevat de politiek en het Zorginstituut, bieden geen aanknopingspunt voor het oordeel dat (onderdelen van) de geldende regeling buiten toepassing zou(den) moeten blijven. De Raad wijst in dit verband mede op artikel 11 van de Wet algemene bepalingen, inhoudende dat de rechter in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van de wet mag beoordelen. 3.
  6. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak op juiste wijze het wettelijk kader waarbinnen het geschil dient te worden beoordeeld geschetst. De rechtbank heeft ook op juiste wijze de binnen dit kader gevormde rechtspraak vermeld. 3.
  7. De rechtbank heeft vervolgens binnen bovengenoemd kader de beroepsgronden van appellant die ook maar enige relevantie zouden kunnen hebben op juiste wijze besproken en is terecht tot het oordeel gekomen dat de buitenlandbijdragen bedoeld in 1 overeenkomstig de geldende regeling zijn vastgesteld. De Raad heeft hieraan - nu de in 2.1 genoemde gronden in essentie een herhaling zijn van de in beroep aangevoerde gronden - niets toe te voegen. 3.
  8. Gelet op hetgeen is overwogen in 3.1 tot en met 3.3 treft het hoger beroep geen doel en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.
  9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker, als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 januari
  10. (getekend) J. Brand (getekend) H.J. Dekker GdJ

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.