15/295 BABW Datum uitspraak: 16 december 2015 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 26 november 2014, 14/1070 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade (college) PROCESVERLOOP Appellante heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2015. Appellante is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door C. Bräken-Brinkman. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.1. Bij besluit van 4 september 2013 heeft het college de aanvraag van appellante om verlenging van de geldigheidsduur van een gehandicaptenparkeerkaart type bestuurder afgewezen. 1.2. Bij besluit van 18 februari 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 4 september 2013 ongegrond verklaard. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de termijn voor het indienen van het beroepschrift eindigde op 1 april 2014. Appellante heeft het beroepschrift op 3 april 2014 aan de rechtbank verstuurd. Op 4 april 2014 is het beroepschrift bij de rechtbank ingekomen, zodat het beroepschrift niet binnen de termijn van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is ingediend. Van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb is geen sprake. 3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft aangevoerd dat zij kort na de ontvangst van het bestreden besluit een (tweede) gesprek met de wethouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.