← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2015:971

13/4547 WWB Datum uitspraak: 31 maart 2015 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 22 februari 2013, 11/7285 WWB Partijen: [Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker) het college van burgemeester en wethouders van Leiden (college) PROCESVERLOOP Verzoeker heeft bij brief van 9 juli 2013 om herziening verzocht van bovenvermelde uitspraak van de Raad van 22 februari

  1. Hierna heeft hij nog nadere stukken ingediend. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het verzoek is behandeld ter zitting van 17 februari
  2. Verzoeker is verschenen. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen. OVERWEGINGEN
  3. Op grond van artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die: a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak; b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn; en c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben geleid.
  4. Bij de uitspraak waarvan verzoeker herziening vraagt, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 9 november 2011, 11/912, vernietigd, het beroep tegen het besluit van 16 december 2010 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd voor zover daarbij het bezwaar tegen het besluit van 17 augustus 2010 ongegrond is verklaard. De Raad heeft het besluit van 17 augustus 2010 herroepen en bepaald dat de bijstand van appellant met ingang van 1 augustus 2010 gedurende één maand wordt verlaagd met 10% van de toepasselijke bijstandsnorm en dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 16 december 2010 voor zover vernietigd.
  5. Verzoeker heeft aan zijn verzoek, samengevat, ten grondslag gelegd dat de feiten in de uitspraak van 22 februari 2013 onjuist zijn vermeld en dat de overwegingen onvoldoende zijn gemotiveerd. Verzoeker heeft ter zitting van de Raad desgevraagd bevestigd dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn als bedoeld in artikel 8:119 van de Awb. Hij heeft aangevoerd dat de Raad van onjuiste feiten is uitgegaan en het hoger beroep onjuist heeft beoordeeld.
  6. Wat verzoeker tegen de uitspraak van 22 februari 2013 heeft aangevoerd behelst, zoals verzoeker zelf heeft erkend, geen feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119 van de Awb, maar een betwisting van de juistheid van de uitspraak van de Raad van 22 februari
  7. Naar vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 13 januari 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AS3516) is het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie te voeren over de betrokken zaak en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen.
  8. Uit wat onder
  9. is overwogen vloeit voort dat het verzoek om herziening moet worden afgewezen.
  10. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af. Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 maart
  11. (getekend) F. Hoogendijk (getekend) E. Heemsbergen HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.