← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2015:978

13/6499 WWB Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 november 2013, 13/4913 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. C.A. Busquet, advocaat, hoger beroep ingesteld. Mr. M.M. van Daalhuizen, advocaat, heeft zich als opvolgend gemachtigde gesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari

  1. Namens appellante is verschenen mr. Van Daalhuizen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.E. Braak. OVERWEGINGEN
  2. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
  3. Appellante ontving sinds 1 november 2012 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Appellante staat sinds 17 september 1985 ingeschreven op het adres [adres A.] te [woonplaats]. [naam S] (S) staat sinds 3 mei 2011 ingeschreven op ditzelfde adres. 1.
  4. Naar aanleiding van een anonieme tip dat appellante zou samenwonen met S, heeft de afdeling Bijzondere Onderzoeken van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Rotterdam een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is onder meer dossieronderzoek gedaan, zijn bankafschriften bestudeerd en heeft op 21 maart 2013 een gesprek met appellante plaatsgevonden in het bijzijn van S. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 22 maart
  5. 1.
  6. De resultaten van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 4 april 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 24 juli 2013 (bestreden besluit), de bijstand met ingang van 1 april 2013 in te trekken. De besluitvorming is gebaseerd op de grond dat appellante de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van het voeren van een gezamenlijke huishouding met S.
  7. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
  8. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft - samengevat - aangevoerd dat tussen haar en S sprake is van een zakelijke kostgangerrelatie.
  9. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  10. Na het verhandelde ter zitting van de Raad is niet langer in geschil dat de uit het onderzoek gebleken feiten en omstandigheden objectief bezien een voldoende grondslag bieden voor het standpunt van het college dat sprake is van een gezamenlijke huishouding. Appellante stelt zich echter op het standpunt dat de wederzijdse zorg moet worden bezien in de context van de omstandigheid dat appellante hulpbehoevend is en S de enige is die haar die hulp kan bieden. 4.
  11. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad (uitspraak van 23 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3241) moet de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. De omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie zijn niet van belang. In wat appellante heeft aangevoerd wordt geen aanleiding gezien om hiervan af te wijken. 4.
  12. Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.
  13. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 maart
  14. (getekend) P.W. van Straalen (getekend) P.C. de Wit Tegen deze uitspraak kunnen pzrtijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden(Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding. HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.